Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

<

i

Het opmaken van de voordracht.

Benoeming van onderwijzers, geen hoofden van scholen.

Hfdst. VIII § 6 56

36 der wet regelt het koninklijk besluit van 31 December 1920 (st.bl no. 950) de wijze, waarop het vergelijkend onderzoek wordt voorbereid en

ingesteld. „

Na hetgeen uit dit besluit reeds aangehaald is, wordt alleen nog gewezen op het tweede lid van art. 91), voorschrijvende, dat het schriftelijk onderzoek strekt om de candidaten zoowel uit wetenschappelijk als uit paedagogisch oogpunt te leeren kennen in den aard en het gehalte hunner kundigheden en hunner verstandelijke ontwikkeling; het mondelinge inzonderheid om hen te leeren kennen in hun paedagogische bekwaamheid en m hun persoonlijkheid. Men vindt hier nog eens vastgelegd dat het een onderzoek is naar de geschiktheid der candidaten en niet in de eerste plaats naar hun wetenschappelijke kennis.

De voordracht moet opgemaakt worden door burgemeester en wethouders in overeenstemming met den inspecteur en als een vergelijkend onderzoek heeft plaats gehad na overleg met den inspecteur. Bij de beraads agmgen in de tweede kamer wees de minister er op, dat overal de uitdrukking „in overeenstemming" gebruikt is, als blijken moet, dat burgemeester en wethouders en het schooltoezicht het met elkander eens zijn en de uitdrukking „na overleg" als men alleen advies van het schooltoezicht verlangt.

De benoeming van andere onderwijzers, geen hoofden van scholen geschiedt uit een voordracht van zoo mogelijk ten minste drie bevoegden, ' opgemaakt door burgemeester en wethouders na overleg met den inspecteur, na ingewonnen bericht van het hoofd der school, waaraan de benoeming geschieden moet. Burgemeester en wethouders leggen het bericht van het hoofd der school en het schriftelijk met redenen omkleed advies van den . inspecteur aan den raad over. .

In gemeenten, waar meer dan een school bestaat, kan een benoeming tot onderwijzer geschieden uit een voordracht, op te maken op de wijze als hierboven is omschreven, met dien verstande, dat het daarin bedoelde bericht wordt ingediend door de hoofden van scholen gezamenlijk, of door een uit hun midden door burgemeester en wethouders in overeenstemming met den inspecteur te kiezen commissie. (Art. 36, achtste en

"Xtetgtn reeds omtrent de voordracht voor het benoemen van een hoofd der school is opgemerkt, is het duidelijk, dat, als na gepleegd overleg verschil van gevoelen over de voordracht blijft bestaan tusschen burgemeester en wethouders en den inspecteur, burgemeester en wethouders bevoegd zijn de voordracht op te maken, zooals zij wenschen. Dit was zoo onder

V Voor de kosten van het vergelijkend onderzoek zie men de paragraaf handelende over de kosten van het openbaar lager onderwijs.

56

Sluiten