Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

67

Hfdst. VIII § 7

1920 (st.bl. no. 899) een rubriek toegevoegd: „Lager en uitgebreid lager onderwijs en ook een rubriek „Vervolgonderwijs".

Als het er niet uitdrukkelijk bij gezegd wordt, geldt hetgeen hierna verder omtrent de salarissen der onderwijzers opgemerkt wordt niet voor het vervolgonderwijs.

Aan het onder 3°. op bladz. 65 genoemde is uitvoering gegeven door het koninklijk besluit van 31 December 1920 (st.bl. no. 949) tot regeling van de wijze van uitbetalen der jaarwedde en wedde van de onderwijzers aan de openbare lagere scholen, bedoeld in art. 30, derde lid, der lager-onderwijswet 1920, en tot het stellen van regelen betreflende verlof tot afwezigheid en inhouding van de jaarwedde of wedde bij dat verlof.

Uit dit besluit wordt hier het volgende aangeteekend.

De uitbetaling der jaarwedde en der wedde geschiedt maandelijks. Bij ontslag wordt de jaarwedde en de wedde uitbetaald tot en met den dag, voorafgaande aan dien, waarop het ontslag ingaat. Bij overlijden wordt de jaarwedde en de wedde uitbetaald tot en met den dag van overlijden.

Aan onderwijzers, aan wie op advies van den behandelenden of controleerenden geneesheer een verlof wegens ziekte wordt toegestaan, wordt dit' verlof met behoud van het volle genot der jaarwedde voor niet langer verleend dan twaalf achtereenvolgende maanden, en aan onderwijzers, die overeenkomstig art. 41 der lager-onderwijswet 1920 zijn aangewezen voor tijdelijke waarneming eener betrekking van onderwijzer of van hoofd der school, indien zij niet als vast onderwijzer aan een lagere school zijn verbonden, met behoud van het volle genot der wedde voor niet langer dan twee achtereenvolgende maanden. In het laatste geval wordt het verlof voor niet langer verleend dan voor den duur der tijdelijke waarneming.

Blijkt hij het verstrijken van het verlof, in het vorige lid bedoeld, uit een rapport van den geneesheer, dat de onderwijzer nog niet in staat is zijn werkzaamheden te hervatten, dan kan hem opnieuw voor ten hoogste twaalf of twee maanden verlof worden verleend. Echter wordt over den tijd van dit verlof aan den onderwijzer slechts de helft zijner jaarwedde of wedde uitbetaald.

Na het verstrijken van dit laatste verlof, wordt de jaarwedde of de wedde niet langer uitbetaald, tenzij in een bepaald geval onder goedkeuring van den minister een andere regeling wordt getroffen.

Indien de onderwijzer binnen één maand na de hervatting van zijn werkzaamheden na ziekteverlof weder ziek wordt, kan deze laatste ziekte op grond van een geneeskundige verklaring voor de toepassing van deze bepalingen worden beschouwd als een voortzetting van de voorafgegane ziekte.

Uitbetaling der

jaarwedde en verlof.

Verlof' wegens^ ziekte.

Sluiten