Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

Hfdst. VIII § 8

kamer verevend tot de door den minister vastgestelde en aan dat college medegedeelde bedreigen.

Krachtens dit wetsartikel is vastgesteld het koninklijk besluit van 28 December 1920 (st.bl. no. 918), volgens hetwelk jaarlijks in de maand Januari het gemeentebestuur aan den minister voor elke bij den aanvang van het jaar der inzending bestaande openbare lagere school der gemeente een opgave moet zenden, volgens het bij dit besluit vastgesteld formulier, model A. Deze opgave is voor de eerste maal ingezonden moeten worden in de maand Januari 1921.

Bij opening van een nieuwe openbare lagere school in den loop van het jaar, moet het gemeentebestuur binnen tien dagen na den laatsten dag der maand volgende op die, waarin de school werd geopend, aan den minister een opgave zenden, volgens het bij dat besluit vastgesteld formulier, model B.

Binnen tien dagen na afloop van elke maand moet het gemeentebestuur aan den minister een opgave zenden van de veranderingen in het onderwijzend personeel in de afgeloopen maand. Deze opgave wordt ingericht volgens het bij dat besluit vastgesteld formulier, model C.

Indien een openbare lagere school wordt opgeheven, geeft het gemeentebestuur binnen tien dagen na de sluiting daarvan kennis aan den minister.

Na ontvangst van deze opgave stelt de minister het voorschot vast van de rijks vergoeding, waarop de gemeente overeenkomstig art. 56 der wet en voor zooveel noodig in verband met art. 201 der wet, voor het loopende jaar aanspraak heeft, en doet daarvan mededeeling aan de algemeene rekenkamer en aan het gemeentebestuur.

In geval van opening van een nieuwe openbare lagere school, stelt de minister het voorschot der rijksvergoeding nader vast,'na ontvangst van de daarop betrekking hebbende opgave. Na ontvangst van de mededeeling der sluiting van een school, wordt het bedrag van het voorschot eveneens plerzien en nader vastgesteld.

Het voorschot wordt kwartaalsgewijze bij den aanvang van elk kalenderkwartaal telkens voor een vierde gedeelte betaalbaar gesteld. Indien het voorschot voor het loopende jaar nog niet is vastgesteld, kan een vierde gedeelte van het laatstelijk vastgestelde voorschot worden betaalbaar gesteld.

Jaarlijks in de maand Januari, zoodra de jaarwedden en wedden der onderwijzers over het afgeloopen jaar zijn uitbetaald, moet het gemeentebestuur de betreffende voor voldaan geteekende betalingsstukken aan den minister zenden. Dit opzenden van de origineele betalingsstukken kan bezwaren hebben, indien ze niet spoedig terug ontvangen worden. Daarom zal het wel noodzakelijk zijn van de gekwiteerde bevelschriften van betaling

Sluiten