Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 9

96

Verplichting • tot het heffen van schoolgeld.

Het eerste lid van art. 62 der wet legt de verplichting op voor het openbaar gewoon lager onderwijs, voor het uitgebreid lager onderwijs en voor het vervolgonderwijs schoolgeld te heffen. Door het bepaalde bij art. 70 is dit ook verplichtend voor het openbaar buitengewoon lager onderwijs. Art. 95 stelt het heffen van schoolgeld ook verplichtend voor het bijzonder gewoon lager onderwijs, het uitgebreid lager onderwijs en het vervolgonderwijs, doch er is in de wet geen bepaling te vinden, waardoor het heffen van schoolgeld ook verplichtend gemaakt is voor het bijzonder buitengewoon lager onderwijs. Dit laatste staat in verband met de bepalingen omtrent het bestrijden van de kosten voor dit onderwijs. Bij algemeenen maatregel van bestuur zullen regels gegeven worden omtrent het bestrijden der kosten van deze scholen. (Vergelijk de artt. 127 en 128 der wet.)

Ook in de wet van 1878 was de verplichting tot het heffen van schoolgeld opgenomen, doch van deze verplichting kon bij met redenen omkleed koninklijk besluit, den raad van state gehoord, vrijstelling worden verleend*). Deze mogelijkheid tot ontheffing is niet overgenomen en een poging om daarvoor een bepaling op te nemen is niet gelukt. In de wet van 1878 was de mogelijkheid tot vrijstelling opgenomen .tijdens de behandeling der wijzigingswet van 1889, omdat, wanneer in een bepaalde gemeente een bijzondere school geen schoolgeld hief, het met het oog op de concurrentie tusschen het bijzonder en het openbaar onderwijs gewenscht kon zijn, dat ook de openbare school vrijstelling van de verplichting tot schoolgeldheffing verkreeg. Waar nu de heffing, die de gemeenteraad vaststelt, gehjke-

bepaling der wet kan worden afgeleid, dat het schoolgeld voor het bijzDnder vervolgonderwijs geheven moet worden volgens een gemeentelijke verordening. De besturen der vereenigingen en instellingen, jïie bijzonder vervolgonderwijs doen geven, zijn door de wet vrijgelaten het schoolgeld voor dit onderwijs zelf te regelen en te heffen.

Uit dit schrijven volgt in de eerste plaats, dat het schoolgeld voor het openbaar vervolgonderwijs niet progressief behoeft te zijn en in de tweede plaats, dat het schoolbeatmir, dat bijzonder vervolgonderwijs geeft, daarvoor schoolgeld kan heffen, doch dit ook kan nalaten.

Dit laatste voert tot consequenties, die kwalijk in overeenstemming zijn te brengen met het beginsel der gelijkstelling. Immers: wordt schoolgeld geheven voor het bijzonder vervolgonderwijs, dan komt het geheven bedrag in mindering van de gemeentelijke bijdrage; doch het schoolbestuur heeft bij deze heffing geen belang, daar het toch de kosten vergoed krijgt; op deze wijze krijgt men. dus een bevoorrechting van het bijzonder boven het openbaar vervolgonderwijs.

Het is mij niet duidelijke door deze ministerieele missive ook niet duidelijk geworden, op welke gronden men kan beweren, dat art. 95 der wet niet voor het bijzonder vervolgonderwijs geschreven zou zijn. De bijzondere scholen voor vervolgonderwijs zijn toch ook bijzondere scholen als bedoeld in art. 88. Tegenover dit bepaald voorschrift der wet wordt niets anders gesteld, dan dat in art. 102, in tegenstelling met hetgeen art. 101 inhoudt, niet gesproken wordt van aftrek van het verschuldigde schoolgeld. Het is vreemd. Art. 95 op zich zelf laat geen andere opvatting toe dan dat het ook voor het bijzonder ondeswijs geschreven is. Dit is geheel en al in overeenstemming met het stelse der wet. Mag men bij een wet als deze, die bij de praktische uitvoering aanleiding geeft tot zooveel kwesties, ook al omdat haar redactie niet altijd even goed verzorgd is, nu met dergelijke weinig beteekenende argumenten tot een wetsuitlegging komen, die door de letter der wet niet vereischt wordt eri die niet past in den gedachtengang, welke den wetgever geleid heeft?

l) Zie het derde lid van art. 50 der wet van 1878.

Sluiten