Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

Hfdst. VIII § 10

Zeer ingrijpende verandering heeft de lager-onderwijswet 1920 in dit onderwijs niet gebracht. De wetgever heeft aangenomen, dat het vervolgonderwijs in een overgangstoestand verkeert; dat wijziging van die inrichting slechts een voorloopig karakter kan hebben; en dat een definitieve regeling eerst zal kunnen volgen, nadat de nijverheidsonderwijswet eenige jaren zal hebben gewerkt. Bij het ontwerpen van de inrichting van het vervolgonderwijs, heeft de minister zich echter op het standpunt gesteld, dat dit onderwijs zich van het gebied van het nijverheidsonderwijs geleidelijk behoort terug te trekken. (Memorie van antwoord, tweede kamer.)

Het eerste lid van art. 21 regelt de verplichting om openbaar vervolgonderwijs te doen geven; het zegt, dat aan hen, die het gewoon of buitengewoon lager onderwijs hebben genoten en niet meer onder de verplichting vallen dit onderwijs te volgen, zoodra ten minste zes leerlingen zich daarvoor hebben aangemeld, van gemeentewege de gelegenheid gegeven moet worden tot het genieten van vervolgonderwijs.

In het gewijzigde ontwerp van wet, wel in het oorspronkelijke, kwam de verplichting tot het geven van openbaar vervolgonderwijs niet voor. De regeering meende, dat het laatste lid van art. 21 er voldoende tegen waakte, dat een gemeente niet nalatig zou blijven om te voorzien in een' gebleken behoefte aan vervolgonderwijs; immers door die wetsbepaling zijn de besluiten van den gemeenteraad betreffende het getal scholen voor vervolgonderwijs en tot vermindering van het getal scholen aan de goedkeuring van gedeputeerde staten onderworpen, terwijl door dit college en ook bij koninklijk besluit1) vermeerdering van het aantal scholen kan bevolen worden. Het eerste lid van art. 21 is door een amendement, dat de minister heeft overgenomen en dat beoogde aan de gemeentebesturen het doen geven van vervolgonderwijs als een verplichting op te leggen, met de tegenwoordige redactie in de wet gekomen.

Zoodra zich zes of meer leerlingen voor het vervolgonderwijs hebben aangemeld is een gemeente verplicht dit te doen geven, doch zij is natuurlijk ook wel bevoegd, dit onderwijs te doen geven als zich minder dan zes leerlingen daarvoor aanmelden.

Een andere vraag is of een gemeente in dit geval daartoe ook door gedeputeerde staten of bij koninklijk besluit kan gedwongen worden. De heer Ketelaar heeft een amendement voorgesteld om de woorden „ten minste zes leerlingen zich daarvoor hebben aangemeld" te schrappen om mogelijk te maken, dat ook overal op het platteland vervolgonderwijs zou gegeven kunnen worden. De minister heeft dienaangaande gezegd, dat de zaak

De

verplichting om openbaa vervolgonderwijs te geven.

L) Zie hiervoor art. 22 en art. 235, bladz. 40 en 41.

Sluiten