Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 13

136

Voldoend aantal leerlingen voor het recht op schoolbouw.

a. een verklaring, waaruit blijkt, dat de school, waar het geldt een gemeente met meer dan 1000.000 ingezetenen, door ten minste 100 en, waar het geldt een andere gemeente, door ten minste 40 leerlingen zal worden bezocht (art. 73, eerste lid);

b. een verklaring, waarbij de instelling of vereeniging zich verbindt om, voordat met den bouw wordt aangevangen, als waarborgsom een bedrag, gelijkstaande met vijftien ten honderd van de stichtingskosten, in de gemeentekas te storten (art. 73, eerste lid);

c. een opgave van het getal leerlingen, voor wie het gebouw ruimte moet bieden, het maximum getal leerlingen, dat per klasse zal worden toegelaten, het getal klassen, zoomede of de school bestemd zal zijn voor het geven van gewoon of voor uitgebreid lager onderwijs (art. 73, eerste lid);

d. een voorloopige raming van de kosten van het stichten van een schoolgebouw. (Art. 72, tweede lid). Dit stuk wordt echter niet gevorderd, indien stichting van het gebouw vanwege de gemeente wordt gevraagd, maar alleen indien de aanvraag betreft de benoodigde gelden voor het stichten van een gebouw.

Indien men, hetgeen onder a—d genoemd is, in één stuk wil samenvoegen, bestaat daartegen geen wettelijk bezwaar.

Naar aanleiding van ieder van deze stukken enkele opmerkingen.

a. De verklaring omtrent het aantal kinderen, dat de school zal bezoeken.

Op den eisch van minstens 100 leerlingen in gemeenten met meer dan 100.000 ingezetenen en ten minste 40 in de andere gemeenten zijn twee uitzonderingen toegelaten.

Indien de aanvrage geldt de stichting van een gebouw, uitsluitend ten dienste van een school voor uitgebreid lager onderwijs, bedraagt dit aantal in gemeenten met meer dan 100.000 ingezetenen ten minste 40 en in andere gemeenten ten minste 18, terwijl bij koninklijk besluit in bijzondere gevallen, den onderwijsraad gehoord, zoowel voor het gewoon als voor het uitgebreid onderwijs deze cijfers nog lager gesteld kunnen worden. Het verzoek daartoe moet uitgaan van een belanghebbend schoolbestuur voor een gemeente met minder dan 25.000 ingezetenen of van het bestuur eener school, als bedoeld in het zesde lid van art. 90, d. i. een school waarvoor afgeweken wordt van de normale schoolinrichting1), ongeacht het aantal inwoners der betrokken gemeente. Het getal leerlingen kan dan voor een school voor gewoon lager onderwijs lager dan 40, doch niet lager dan 25 en voor een school voor uitgebreid lager onderwijs lager dan 18, doch niet lager dan 12 gesteld worden. (Art. 73, eerste en tweede lid).

1) Vergelijk art. 26, vijfde lid.

Sluiten