Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

143

Hfdst. VIII § 13

aanvraag, bedoeld in art. 72 der wet, noodig acht en zulks binnen een door het gemeentebestuur daarvoor te stellen termijn.

Als een aanvraag betrefïende het stichten van een gebouw van een schoolbestuur, dat een nieuwe school in een gemeente wil vestigen, is ingekomen, moet hierop door den gemeenteraad binnen drie maanden beslist worden. (Art. 75, eerste lid.) Is dit niet geschied, dan wordt geacht, dat met het eindigen van den termijn van drie maanden de gemeenteraad tot medewerking heeft besloten. (Art. 76, eerste lid.)

In het derde en vierde lid van art. 75 is bepaald, dat, indien in een gemeente, welke niet een of meer openbare scholen voor uitgebreid lager onderwijs in stand houdt, een aanvrage tot stichting van een bijzondere school voor uitgebreid lager onderwijs wordt gedaan, de gemeenteraad dan bij zijn besluit op de aanvraag ook beslist omtrent de vraag of tot oprichting van een overeenkomstige openbare school, zoo noodig gemeenschappelijk met naburige gemeenten, zal worden overgegaan.

Wordt bij een aanvrage tot stichting van een schoolgebouw een lager maximum getal leerlingen per klasse opgegeven dan het getal, dat in die gemeente per klasse tot de overeenkomstige openbare scholen mag worden toegelaten, dan beslist de gemeenteraad bij zijn besluit over de aanvraag ook omtrent de vraag, of tot gelijke verbetering van de overeenkomstige openbare scholen in die gemeente zal worden overgegaan.

Indien de gemeenteraad deze beslissing niet binnen drie maanden na het inkomen der aanvraag heeft genomen, wordt' hij geacht met het eindigen van dien termijn deze vragen in ontkennenden zin te hebben beantwoord.

De regeering achtte deze beslissing van zoo eenvoudigen aard, dat zij zeer wel kan genomen worden tegelijk met die omtrent de aanvraag.

De beslissing van den raad op de aanvraag van het schoolbestuur is een handeling van niet zeer ingrijpenden aard, aangezien de aanvraag, indien die niet om formeele redenen geweigerd moet worden, steeds moet worden toegestaan. Het tweede lid van art. 75 bepaalt dienaangaande, dat de medewerking slechts geweigerd mag worden wanneer niet voldaan is aan hetgeen bij art. 73 is voorgeschreven, d. i. wanneer het nieuwbouv i betreft met of niet behoorlijk zijn overgelegd de op bladz, 136 onder a, b en c genoemde stukken en wanneer het verbouw of verandering van inrichting betreft niet of niet behoorlijk is overgelegd de verklaring, aldaar onder b genoemd en de opgaaf van de redenen voor verbouw of verandering. Het onder d genoemde stuk, de voorloopige raming der kosten, behoort niet tot de in art. 73 omschreven stukken, zoodat de medewerking niet kan geweigerd worden, als dat stuk niet in orde is. De weigering moet geschieden bij een met redenen omkleed besluit.

Op de

aanvraag moet binnen drie maanden beslist worden.

Beslissing

omtrent het

openbaar

u. 1. o. en het

aantal

leerlingen per klasse in verband met een aanvraag betreffende het vestigen van een bijzondere school.

Het weigeren van de aanvraag.

Sluiten