Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 13

148

Veel

omvattende bevoegdheid van

gedeputeerde staten.

Als de noodige gelden

gevraagd worden mag de raad niet besluiten zelf te bouwen.

De bevoegdheid door het derde lid van art. 76 der wet gegeven aan gedeputeerde staten, in beroep beslissende, gaat wel heel ver. Achten zij de beslissing van den raad onjuist, dan kunnen zij bepalen, dat een u. L o.school gesticht of niet gesticht zal worden; in het eerste geval kunnen zij — na ook dan naast den onderwijsraad nog den hoofdinspecteur gehoord te hebben — bij met redenen omkleed besluit bevelen, dat de daarvoor naar hun oordeel in aanmerking komende naburige gemeenten (dus de gemeente, waar de bijzondere u. 1. o.-school komt, en één of meer andere) zich met inachtneming van art. 121 der gemeentewet zullen vereenigen tot het oprichten en in stand houden van een gemeenschappelijke u. L o -school, of tot het vaststellen van een regeling omtrent de toelating van kinderen uit de eene gemeente op bestaande u. 1. o.-scholen der andere.

Eigenaardig is, dat art. 19, hetwelk de bevoegdheid aan gedeputeerde staten om het vaststellen van gemeenschappelijke regelingen te eischen geeft geen middelen noemt, waardoor zij aan hun eventueel bevel kracht zullen kunnen bijzetten. Art. 76 daarentegen verklaart bij weigering van een gemeentebestuur art. 212 der gemeentewet van toepassing.

De aanvraag kan betreffen een gebouw, door de gemeente te stichten of de noodige gelden te ontvangen voor de stichting van een gebouw door het schoolbestuur. Op een aanvraag om de noodige gelden voor het stichten van een gebouw te ontvangen, kan de raad niet beslissen, dat vanwege de gemeente een gebouw gesticht zal worden en evenmin kan op een aanvraag betreffende het stichten van een gebouw beslist worden met het aanbieden van de benoodigde gelden. Zoodanige beslissing zou immers met een weigering gelijk staan en weigering kan alleen om formeele redenen plaats hebben. Is een aanvrage ingediend om vanwege de gemeente een gebouw te stichten, dan zullen burgemeester en wethouders hun oordeel uit te spreken hebben over de vraag of de stichting door de gemeente kan geschieden Alleen als het antwoord op die vraag bevestigend luidt, zal de raad de aanvraag kunnen inwilligen. Het staat dan echter nog met vast, dat de gemeente het schoolgebouw zal stichten; dit toch zal alleen geschieden wanneer tusschen de gemeente en het schoolbestuur overeenstemming ^kregen is omtrent de keuze van het terrein en het bestek voor den bouw. Wordt die overeenstemming niet verkregen dan blijft de bouw door de gemeente achterwege en zal er voor het schoolbestuur, wil het een gebouw hebben, niets anders overblijven, dan de noodige gelden voor den bouw te vragen, als dit reeds niet provisioneel geschied is.

Dit een en ander blijkt ook uit de memorie van toelichting, behoorende bij de nota van wijziging, waarbij de artt. 77 en 78 zijn voorgesteld, waar o m wordt gezegd: „Het schoolbestuur, dat zelf wil bouwen, zal dit kunnen

Sluiten