Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

195

Hfdst. VIII § 15

Volgens art. 24 wordt voor de middelbare scholen door gemeenten opgericht het getal der leeraren en beambten alsmede het bedrag hunner jaarwedde door den gemeenteraad vastgesteld. De daartoe betrekkelijke besluiten zijn voor de gesubsidieerde inrichtingen aan de goedkeuring van den minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen onderworpen. Geldt het scholen, die zonder subsidie zijn opgericht, dan is geen goedkeuring noodig. In het voorloopig verslag werd gevraagd: „wat zal er gebeuren, als het besluit van den gemeenteraad omtrent het getal der leeraren of omtrent het bedrag hunner jaarwedden niet wordt goedgekeurd en of het de bedoeling is, dat de minister alsdan eigenmachtig dat getal zal bepalen en de jaarwedde regelen?" Het groote onderscheid tusschen de omstandigheden der verschillende gemeenten deed de regeering het ondoenlijk achten een minimum voor de jaarwedden in de wet op te nemen. Deze bepaling der jaarwedde is dus behoudens goedkeuring in de gevallen, waarin die vereischt wordt, geheel aan den raad overgelaten. Niet goedkeuring werkt slechts negatief.

De directeuren en leeraren der gemeentelijke middelbare scholen worden benoemd door den gemeenteraad, die vooraf een aanbevelingslijst van benoembaren ontvangt, door burgemeester en wethouders na verhoor van den inspecteur opgemaakt1). Daar niet voorgeschreven is, dat de raad uit die aanbevelingslijst moet benoemen, is een benoeming buiten de aanbeveling ook alleszins wettig. Als zich meerdere geschikte sollicitanten hebben aangemeld, moet de aanbevelingslijst ook meer dan een naam! bevatten, daar in de eerste alinea van art. 29 sprake is van een lijst van benoembaren. Wel spreekt de wet ook in het meervoud van leeraren, maar daarom bedoelt zij niet enkel het geval, dat meerdere leeraren voor dezelfde school tegelijk moeten aangesteld worden, want ook het woord directeuren staat in het meervoud en er is aan elke school toch slechts een directeur. Er bestaat verschil van gevoelen over de vraag, of een leeraar aan een gemeentelijke middelbare school voor een bepaalden tijd kan benoemd worden. Daar de wet in tegenstelling met die op het lager onderwijs *) van een tijdelijke aanstelling geheel zwijgt en geen enkele wetsbepaling zich tegen zoodanige aanstelling verzet, kan men naar mijn meening den raad het recht niet ontzeggen om te bepalen, voor welk tijdperk een leeraar aan een gemeenteschool benoemd zal worden. De bepaling van de derde alinea van art. 29, inhoudende, dat de leeraren te allen tijde kunnen ontslagen worden, kan alleen grond opleveren voor de bewering,

Het aantal leeraren en hun

bezoldiging. Benoeming.

) Zie art. 29, alinea 1, der middelbaar-onderwijswet. ) Zie bladz. 60 en 61 van dit hoofdstuk.

Sluiten