Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. VIII § 15

198

De kosten der

gemeentelijke

middelbare

scholen.

Schoolgeldheffing.

De kosten der gemeentelijke hoogere burgerscholen, voor zooverre zij niet komen ten laste van anderen of uit bijzondere daartoe bestemde fondsen kunnen worden bestreden, door de gemeente te dragen, zijn volgens art. 36 der wet: a. de jaarwedden van de directeuren, leeraren en bedienden dier scholen; b. de kosten van het oprichten en instandhouden of het huren der schoollokalen en der woningen van de •directeuren of leeraren, voor zooveel die het genot van vrije woning mochten hebben; c. die van verlichting en verwarming der schoollokalen; d. die van het aanschaffen en onderhouden der schoolmeubelen, werktuigen en verdere hulpmiddelen voor het onderwijs; e. de kosten der plaatselijke commissie van toezicht. Nadat bij de wet van 9 Mei 1890 (st.bl. no. 78) art. 35 der wet op het middelbaar onderwijs in ingetrokken, wordt van de gemeentebesturen geen bijdrage in het pensioen der leeraren van de burgerscholen, in art. 36 onder letter e genoemd, meer gevorderd.

Ter tegemoetkoming in de kosten der rijks hoogere burgerscholen en der van rijkswege gesubsidieerde gemeente-hoogere burgerscholen moet voor iederen leerling een bijdrage gevorderd worden, behoudens de bevoegdheid tot kostelooze toelating van onvermogenden. Evenals in art. 62 der wet op het lager onderwijs is ook hier bepaald, dat de schoolgelden slechts kunnen strekken ter tegemoetkoming in de kosten. De opmerking te dien aanzien op bladz. 99 gemaakt, geldt ook hier. Voor dé schoolgelden der gemeentelijke hoogere burgerscholen en voor de middelbare scholen voor meisjes is geen maximum bepaald, zooals voor de rijks hoogere burgerscholen, waarvoor het maximum ƒ 300,— bedraagt. Het schoolgeld moet ook voor de gemeentescholen geheven worden met inachtneming van de financieele draagkracht der belanghebbende (evenredig schoolgeld). Het invoeren, wijzigen en afschaffen van schoolgelden geschiedt voor de gemeentescholen met inachtneming van de artt. 232-236 der gemeentewet. De invordering wordt geregeld door een plaatselijke verordening overeenkomstig de bepalingen van de artt. 258-262, terwijl ook de artt. 264-266 dier wet mede van toepassing zijn. '

In 1892 werd door den minister van binnenlandsche zaken beslist, dat het karakter der van rijkswege gesubsidieerde scholen voor middelbaar onderwijs mede brengt, dat zoodanige inrichtingen ook nut m de omgeving stichten, zoödat het schoolbezoek van hen, die buiten de gemeente wonen, niet door een uitsluitend voor hen in het leven geroepen verhooging van schoolgeld moet worden bemoeilijkt, terwijl voor het onderwijs aan gesubsidieerde gemeentelijke hoogere burgerscholen het schoolgeld niet hooger gesteld mag worden dan op ƒ 60 - 's jaars voor iederen leer1) z;e art. 37, eerste lid, der middelbaar-onderwijswet.

Sluiten