Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

239

Hfdst. IX § 2

van art. 13 der wet kan ten behoeve van werkzaamheden in of voor de bedrijven van landbouw, tuinbouw of veehouderij door den inspecteur voor kinderen, die in de laatste zes maanden, voorafgaande aan de aanvrage, de school geregeld hebben bezocht, jaarlijks voor ten hoogste twee weken, ongerekend de vacantiën, vergund worden de school tijdelijk niet te bezoeken. Die vergunning wordt door den inspecteur ingetrokken wegens niet geregeld schoolbezoek na de aanvrage gepleegd. Zij kan alleen geweigerd worden in gevallen in art. 14 opgesomd. Teneinde het nadeel van dit verlof, dat men gewoonlijk landbouwverlof noemt, voor het betrokken kind en voor zijn medescholieren zoo gering mogelijk te maken, heeft de wetgever in art. 15 der wet voorgeschreven, dat de gemeenteraad bij verordening een of meer tijdvakken moet aanwijzen, te zamen uitmakende ten hoogste vier weken, binnen welke met uitsluiting van de overige tijden van het jaar, de vergunningen, bedoeld in het eerste lid van artikel 13, kunnen worden verleend. Voor de verschillende deelen eener gemeente kunnen verschillende tijdvakken worden aangewezen. Over elk daartoe strekkend voorstel moet, voordat het in den raad in behandeling komt, de inspecteur gehoord worden. Zoolang deze verordening niet is vastgesteld, mogen geen vergunningen verleend worden.

De leerplichtwet van 1900 gaf, wat nu als een plicht wordt opgelegd, als een bevoegdheid aan den raad en beperkte den duur van deze tijdvakken in het geheel niet. De op 1 Januari 1922 bestaande verordeningen tot aanwijzing van tijdvakken voor landbouwverlof hielden alle een tijdvak van langer dan vier weken in en zijn daarom in het begin van 1922 herzien moeten worden. De gemeenteraden, welke geen gebruik gemaakt hadden van de bevoegdheid in deze door de leerplichtwet van 1900 gegeven, hebben zoodanige verordening moeten vaststellen.

Zoolang zij dit niet gedaan hebben, zal geen landbouwverlof verleend mogen worden.

Moet men daaruit besluiten, dat de gemeenteraad zou kunnen bewerken, dat geen landbouwverlof gegeven kon worden door eenvoudig geen verlofverordening vast te stellen. In de memorie van antwoord, tweede kamer, heeft de minister gezegd, dat de meening, dat het laatste lid van art. 15 der leerplichtwet aan den gemeenteraad bevoegdheid zou geven om het verleenen van landbouwverlof onmogelijk te maken, berust op misverstand. Immers het eerste lid verplicht den raad de zaak te regelen en het laatste lid behelst dus slechts een bepaling van dilatoiren aard, welke allicht eer een prikkel tot regeling dan tot niet-regeling zal behelzen. Mocht de raad werkelijk m gebreke blijven den hem opgelegden plicht na te komen, dan zouden de artt. 126 en 127 der gemeentewet toepassing moeten vinden.

Sluiten