Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. X § 7

282

De aangewezen vertegenwoordigers vormen den armenraad.

De aanwijzing van vertegenwoordigers kan geschieden bij de oprichting van den armenraad en, voor zoover zij daarbij niet plaats vond, telkens zes maanden vóór het einde van den termijn van vier jaren, waarvoor de leden zitting hebben.

Zoodra bij koninklijk besluit een armenraad ingesteld is, moet de burgemeester van de gemeente, waarin of waarvoor de raad is ingesteld, daarvan kennis geven aan iedere instelling van weldadigheid, welke een vertegenwoordiger in den raad zal aanwijzen, met verzoek hem binnen drie weken den naam van den vertegenwoordiger of de vertegenwoordigers schriftelijk mede te deelen.

Zeven maanden voor het einde van den termijn van vier jaar, waarvoor de leden zitting hebben, moet het bestuur van den armenraad tot alle instellingen van weldadigheid, welke voorkomen op de lijst, bedoeld in art. 3 der wet (bladz. 255 en 256) en binnen het ambtsgebied van den armenraad armenverzorging buiten gestichten ten doel hebben, het verzoek binnen een maand te berichten, of zij bereid zijn voor een nieuwen termijn van vier jaar een vertegenwoordiger aan te wijzen 1).

De armenraad kan een instelling tot voorziening in een tijdelijken algemeenen nood binnen zijn ambtsgebied verzoeken, mede een vertegenwoordiger aan te wijzen. Deze vertegenwoordiger heeft slechts een raadgevende stem en houdt op lid te zijn van den raad, zoodra de door hem vertegenwoordigde instelling haar werkzaamheid van voorziening in den nood staakt.

De raad benoemt voor zoover dat niet zelfstandig door de vertegenwoordigers geschiedt bestuursleden en plaatsvervangende bestuursleden uit zijn midden en, wanneer dit bij koninklijk besluit is bepaald, kiest het bestuur uit zijn midden een dagelijksch bestuur. De eenigszins ingewikkelde regels voor de benoeming van bestuursleden en plaatsvervangende bestuursleden zijn te vinden in de artt. 48 en 49 der wet, nader uitgewerkt bij koninklijk besluit van 18 Juli 1912 (st.bl. no. 264), gewijzigd bij de besluiten van 29 Januari 1913 (st.bl. no. 42) en van 23 Mei 1917 (st.bl. no. 424).

De eerste vergadering van een armenraad, tot benoeming of aanwijzing van bestuursleden en plaatsvervangende bestuursleden wordt voorbereid, opgeroepen en voorgezeten door den burgemeester van de gemeente, waar de zetel van den raad is gevestigd.

De voorzitter wordt door den raad uit of buiten zijn leden benoemd.

De secretaris wordt bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Hij geniet een bezoldiging uit 's rijks kas *). De overige kosten van

*) Vergelijk het koninklijk besluit van 18 Juli 1912 (stbl. no. 264). *) Vergelijk de artt. 41—53 der wet.

mmmmm

Sluiten