Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hfdst. XI § 1

290

Aanwijzing van inrichtingen bij koninklijk besluit.

keurig geraadpleegd worden, terwijl ook de talrijke rechterlijke en administratieve beslissingen, waartoe dat artikel aanleiding gegeven heeft, dan niet over het hoofd gezien moeten worden. De inrichtingen in art. 2 genoemd, zij het dan ook met eenige toelichtingen, hier op te sommen, zou weinig nut hebben.

Op enkele punten moeten we evenwel de aandacht vestigen.

De wet bevat geen definitie van het begrip „inrichting." Echter behoeft men daarbij niet uitsluitend aan een gebouw te denken, dat wordt opgericht.

Het „oprichten" moet niet worden opgevat in den meer beperkten zin van opbouwen of in elkander zetten, maar in den meer algemeenen zin van tot stand brengen of in het aanzijn roepen. Wie bijv. vaten petroleum op een erf neerlegt, om ze daar eenigen tijd te laten liggen, richt op een bewaarplaats of inrichting tot bewaring van petroleum.

Art. 2, sub I, en Itó eischt vergunning voor inrichtingen, gedreven door stoom- en gas krachtwerktuigen *) door werktuigen gedreven door dampen van hooge spanning (vloeibaar koolzuur), of door electromotoren. De vergunning wordt dus niet enkel gevorderd voor oprichting van het stoomwerktuig of den motor op zich zelf, doch voor de oprichting van de inrichting in haar geheel, welke gedreven wordt door een stoommachine enz. Ook, wanneer in een inrichting het aantal stoommachines of motoren bijv. met een wordt vermeerderd, en dus de inrichting wbrdt uitgebreid, moet niet worden gevraagd en verleend vergunning tot oprichting van een stoommachine, doch tot uitbreiding der inrichting door bijplaatsing eener stoommachine of motor.

Het doet er voorts niet toe, of een inrichting alleen zal dienen voor eigen gebruik, dan wel voor industrieele doeleinden, of zij zal worden aangewend in of buiten eenig bedrijf; steeds is vergunning tot oprichting noodig.

Bij de wet van 16 Juli 1907 (st.bl. no. 216) zijn onder de hinderwet gebracht de inrichtingen, gedreven door een of meer electromotoren, waarvan het gezamenlijk vermogen de grens overschrijdt, bij algemeenen maatregel van bestuur aangegeven! Deze grens is bij koninklijk besluit van 25 November 1907 (st.bl. no. 302), bepaald op 2 P.K.

Het kan wenschelijk zijn ook die inrichtingen, welke bij het tot stand komen der wet onbekend waren, doch daarna onstaan, onder de in art. 2 der wet opgesomde op te nemen. Om in zoodanig geval zooveel mogelijk vertraging te voorkomen, waar spoedige voorziening alleszins wordt vereischt, is bij art. 3 bepaald, dat bij algemeenen maatregel van bestuur de 'lijst der inrichtingen, in art. 2 der wet genoemd, tijdelijk kan aangevuld worden. Daar echter de regel is, dat een wet slechts aangevuld en gewijzigd

*) Dit zijn ook petroleum- en benzinemotoren.

Sluiten