Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

299

Hfdst. XI § 1

art. 7bis, eerste lid, toepasselijk is. De voorschriften van art. 8 omtrent de kennisgeving en de publicatie der beslissing behooren echter wèl in acht te worden genomen. De termijn, in het eerste lid van dat artikel genoemd, \ kan echter niet gelden.

Om te voorkomen, dat van een verkregen vergunning gedurende langen tijd geen gebruik gemaakt wordt, in welk tijdperk de toestanden zich soms zoo aanmerkelijk wijzigen, dat de verleende vergunning voor den nieuwen toestand niet meer past, bepaalt art. 13, dat bij alle vergunningen, ook als ze uitbreiding betreffen, een termijn gesteld moet worden, binnen welken de inrichting voltooid en in werking gebracht moet zijn. Bij niet inachtneming van dien termijn vervalt de vergunning, tenzij het bestuur, dat haar verleend heeft, haar nog eenmaal vóór het verstrijken van den termijn met een nieuwen termijn heeft verlengd.

Men lette er wel op, dat deze termijnbepaling niet als „voorwaarde" in de vergunning mag worden opgenomen l), wat hier en daar nog wel schijnt te gebeuren. Trouwens bij niet-inachtneming van den termijn vervalt de vergunning, wat bij niet-inachtneming eener voorwaarde niet het geval is.

Als waarborg tegen willekeurige weigering der vergunning, bepaalt art. 11, dat, ingeval van weigering der vergunning, de redenen, die daartoe geleid hebben, in het besluit moeten vermeld worden en dat tot weigering alleen kunnen leiden de bezwaren, ontleend aan vrees voor: a. gevaar; b. schade aan eigendommen, bedrijven of de gezondheid; c. hinder van ernstigen aard, waartoe behoort het ter bewoning ongeschikt maken van woonhuizen of gedeelten van woonhuizen, het belemmeren van het gebruik van de lokalen en gebouwen in art. 5, sub 3°., bedoeld, ieder overeenkomstig de bestemming, die het gebouw of lokaal, tijdens het verzoek werd gedaan, had en het verspreiden van vuil of van walgelijke uitdampingen.

Vrees voor mededinging in eenig bedrijf, door belanghebbenden geuit, kan geen reden tot weigering zijn.

Bij de behandeling der wet in de tweede kamer is vooral de strijd om dit artikel hevig geweest. Aan de eene zijde wilde men het preventieve stelsel beperken en wel op die wijze, dat de preventie niet verder zou gaan dan tot bevordering der publieke belangen. Dit stelsel werd belichaamd m een amendement van mr. Kappeijne van de Capello, welk amendement, door den minister met kracht bestreden, geen wet is kunnen worden. De minister wees er op, dat de grondslag van het geheele amendement dit was, dat de krenking van de belangen der belendenden geheel zou zijn buitengesloten, als motief om de vergunning te weigeren. De belangen

Termijn voor de voltooiing en inwerkingtreding.

Het weigeren eener

vergunning.

*) Vergelijk koninklijk besluit van 27 Mei 1908, no. 65.

Sluiten