Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120

GRIEKSCHE WIJSBEGEERTE.

(maar ook het epos en de muziek) bewerkt, veel geschreven.

Als wij de geheele werkzaamheid van Aristoteles overzien, kunnen we niet anders dan eerbied en bewondering gevoelen voor den geest, die al die stof vormde, ordende en verwerkte, zooveel problemen opstelde en trachtte op te lossen, met zulk een zelfstandigheid en virtuositeit het rijk der begrippen beheerschte. Vragen wij echter, of zijn invloed in allen deele op de ontwikkeling der verschillende wetenschappen heilzaam is geweest, dan moeten wij zeer zeker ontkennend antwoorden. Door zijn schijnbare, het oppervlakkige gezond verstand bevredigende verbetering van platonische theoriën, heeft hij de werking der diepe waarheden, die daarin lagen, belemmerd. Door zijn verwarring van bloot logische met reëele verhoudingen is hij ondanks zijn aanprijzen der empirie, de oorzaak geweest, dat men, aan empirisch onderzoek niet denkend, door het combineeren en analyseeren der begrippen van het gewone verstand meende wetenschap te zullen verwerven '). Men zocht vlug eenige definities en axioma's, vormde abstracties, die men zich dan als wezens dacht, maakte vermogens en krachten en bouwde door het redeneeren met deze, quasi het diepste wezen der dingen uitdrukkende, begrippen een wetenschap op, in 't geheel niet bemerkend, hoe weinig men daarmede verder kwam. Het is niet te loochenen, dat Heraklitus, de Eleaten, Demokritus en Plato in sommige dingen dieper inzichten hebben gehad dan Aristoteles, en dat deze door zijn heerschappij over de geesten, de oplossing van vele problemen, die reeds bij de Grieken zeer mooi voorbereid was, heeft opgehouden. Maar dit mag ons niet onbillijk maken

i) „De Scholastici, aan de hand van Aristoteles, dachten: wij willen eerst het algemeene vaststellen: het bijsondere zal dan daaruit voortvloeien, of mag later, zoo goed als het kan, daaronder zijn plaats vinden. Wij willen derhalve eerst uitmaken, wat aan het ens, het ding in 't algemeen, toekomt; datgene, wat aan de afzonderüjke dingen eigen is, mag dan later geleidelijk, desnoods ook door de ervaring, aangedragen worden; aan het algemeene kan dit nooit iets veranderen". Schopenhauer, Parerga I. 72.

Sluiten