Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men is het resultaat van de botsing tusschen al die weezens en ons eigen, van het Hoogste Weezen gescheiden en er zich weeder mee vereenigende Zelf. Doode, weezenlooze stof bestaat niet, er zijn geen weezenlooze dingen, elk scherfje, elk snippertje, elk droppeltje is het product van de botsing van het Hoogste Weezen met ons Weezen. De onweezenlijke schijn ontstaat door de oneindige afstand, ondanks onmid* dellijk contact — tusschen ons besef en het hoogste besef.

Die afstand wordt echter gevuld door weezens in oneindige gradatie. Elke cel van ons lijf is een weezentje, en iedere groep menschen, die samen hangt door gemeenschappelijke afkomst en eigenschappen, is weederom een weezen. Een weezen georganiseerd als een boom, waarvan wij den stam en de wortels niet kunnen waarneemen, maar wel de blade* ren, de individuen.

Doch de afzonderlijke rassen beantwoorden niet aan de volken in hun politieke begrenzing. Er heeft een verwarring en vermenging plaats — vreemd en onheilvol — katastrophaal, maar uitloopend op een nieuw eevenwigt, waarin het ras tot zuivere eenheid en de rasgeest tot klaarder weezenheid en zelfbesef zal stijgen.

Het is die rasgeest die de dichters zingenskracht geeft, en waar, zooals thans, in de volkeren zelf verdeeldheid en verwarring heerscht, kunnen geen nationale Dichters optree* den. Want wat men thans natie noemt, is een willekeurig afgegrensde groep, waaraan niet beantwoordt een innerlijke, aangebooren eenheid. Zulke administratieve groepen hebben geen dieperen samenhang, geen geest en geen zangers. Zij steunen elkander in gevaar, en zijn gezamenlijk onderheevig aan massaal«suggestie. Maar hun eenheid, hun ras is niet de natie maar de menschheid, en hun rasgeest is de Mensch, Christus. Hun Dichters zijn de dichters der menschheid, die in alle natieën kunnen opstaan.

Rassen zijn er eevenwel nog altijd. En daarvan is wel merk*

35

Sluiten