Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DANSEN IN DE OOPEN LUCHT.

Het was voor mij op 25 Augustus in het Suzanna*park te Hilversum een zuiver en uitneemend genoegen. Het was pre* cies wat ik zou wenschen, een antwoord op oud verlangen uit mijn kindertijd, dat tot de komst van Isadora, de geniale Californische, onbeantwoord bleef.

En Duncan zag ik nog maar in een foei*leelijk concert* zaaltje, — nu kwam ik al nader tot mijn ideaal. Hier scheen de stille Augustus*zon door groene looverschaduuw, hier was zoomerschoon en danskunst, muziek en fraaye kleuren tot blijde harmonie gebracht.

Het ontroerde mij heevig, bizonder heevig. Ontbrak er een kleinigheid, dan werd ik beklemd en moest den blik afwen* den — was het alles zuiver en mooi, dan kwamen er tranen en een huivering van schoonheids*emotie.

Geen schouwburg, geen concert, geen voordracht geeft mij zulk een intensieve aandoening. Ik ken natuurlijk wel dieper en grootscher ontroering, uit drama of gedicht — maar door* dringender, onmiddellijk heeviger pakt mij niets, geen har* monie van zinnenschoon doet mij zoo sterk en machtig aan.

Het is ook of de muziek nu eerst goed tot haar recht komt. Dit is gemakkelijk te verstaan, in verband met hetgeen ik oover de kunst van oog en oor geschreeven heb. *)

Vooreerst eischt de muziekale aandoening dringend ook zichtbare harmonische gewaarwording. Ik kan de volle kracht van muziek niet genieten in een leelijke omgeeving. En door dans, bij loovergroen en zoomerschoon ontstaat een nieuwe sensatie, die het toppunt is van zinlijke bekooring.

Muziek is motorisch. Dat wil zeggen, ze dwingt tot bewee* gen, zonder effect van beweeging sterft haar diepe ziele* leeven; muziek moet zijn: öf marsch, zooals krijgsmuziek, öf dans, öf gebed.

*) Oog en Oor, zesde bundel studies, W. Versluys.

44

Sluiten