Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stand kunnen houden, als wij niet begonnen waren door bedijking en droogmaking, door ontbossching en akkerbouw het te verstooren; gedreeven door de ontevreedenheid met het soobere, harde bestaan. En nu wordt — volgens Brouwer — steeds zwaarder werk vereischt om ons land te behoeden voor algeheelen ondergang, terwijl wij de daartoe noodige arbeid — dien wij ons zelf op den hals hebben gehaald — beschouwen als door een God of noodlot ons opgelegde taak.

Het voorbeeld is, naar ik meen, niet oovertuigend. Het krachtige geslacht dat Brouwer bedoelt, kan niet anders zijn als de bewooners van het diluvium en van de terpen, die veele eeuwen vóór de Romeinsche invasie, een oorspronke* lijke, primitieve cultuur hebben bereikt en gehandhaafd. Het is te betwijfelen of die 'hadden kunnen standhouden, bij het voortdurend dalen van den boodem, en bij het afslijpen van de kusten, door de Noordelijk gerigte zeestrooming, die door* brak tusschen Engeland en het vaste land.

Maar al is dit voorbeeld niet gelukkig gekoozen, Brouwer's bedoeling is duidelijk. De primitieve mensch zocht enkel zijn eevenwigt te bewaren, „in de dragende natuur tusschen zont dige verleidingen". Hij dacht er niet aan in te grijpen, in het subtiele samenspel van plant* en dierengroei en kos* mische werkingen. Daardoor bleef het eevenwigt, waarin hij paste, in het ontzaglijke langzame kosmische tempo, duizen* de eeuwen lang bewaard. De oer*mensch leefde honderd* duizende jaren in bijna onveranderde omstandigheeden.

Maar toch, de verandering kwam. Volgens Brouwer, door ontevreedenheid — of zooals hij het krachtiger uitdrukt — door „opstand tegen Gods wif', de mensch verlangde macht over elkander, zekerheid over de toekomst".

Men merke op, hoe Brouwer reeds in dit eerste hoofd* stuk terstond stelling neemt, op een wijze die geheel afwijkt van de houding onzer geleerden en wijsgeeren. Hij gebruikt woorden, die zoowel door den modernen filosoof als door

81

6. L. den W.

81

Sluiten