Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets uit. Somberheid, liefelijkheid, weemoed, grootschheid allen zielstoestanden, die ons min of meer in den staat voeren van het Eeuwige Weezen, dat deezen schijn tot expressie nam.

Deeze kosmische expressie kan door den schilder worden gebruikt tot zijn eigen persoonlijke taal. Maar dit mag nooit nabootsing zijn. Een geschilderd landschap kan nooit de goddelijke expressie van een natuurtafreel imiteeren. Dat is dwaasheid. Men zou het blasfemie kunnen noemen.

Wel zal de schilder de vormen en kleuren van een land* schap kunnen beezigen om te zeggen, wat hij te zeggen heeft. Maar hij is vrij er van te maken wat hij wil, al naar den eisch van zijn bedoeling. Als het hem maar gelukt bij ons de schoonheidsontroering te weeg te brengen, die hijzelf ondervonden heeft.

Het kan wel gebeuren dat men in de natuur Marisjes en Mauvetjes en Mesdagjes ontdekt. Maar dat is niet anders dan het terugvinden van de geliefde expressiesmiddelen dier meesters, — volstrekt niet een bewijs van hun natuur* nabootsing.

En het portret? zal men vragen. Is daar de gelijkenis van geen belang?

Mijn antwoord is, dat er twee soorten van gelijkenis zijn. Fotografische en artistieke. De artistieke gelijkenis zoekt in het gelaat de kosmische expressie, de uitdrukking van het eeuwige Weezen dat zich in den mensch op zoo bij uitstek bizondere wijze manifesteert. Bij het portret vallen, tot zeekere hoogte, de persoonlijke expressie van den schilder met de kosmische expressie samen. Het beeld, dat de schil* der geeft is des te schooner, naarmate het de kosmische expressie dieper benadert. Maar van „nabootsing" kan eeven* min sprake zijn als bij een landschap. En de schilder blijft vrij, voor zijn vorm en kleuren*schrift — dat toch gansch iets anders is dan een leevend mensch, — af te wijken

111

Sluiten