Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

De herberg was vol boeren, die stonden of zaten in trotsche of lompe houdingen en praatten en lachten met zware of ruwe stemmen. Telkens hief een hunner zijn arm in een gebaar, dat hun allen gemeenzaam was en ledigde met een teug het gele of witte glaasje, nasmakkend en met den groven rug van een pootige hand zijn bruinen mond afvegend. Sommigen droegen blauwe boezeroenen, stukkend en gelapt, en klaarblijkelijk hadden hun witte klompen klakkeloos getrapt en geplast in straatslijk en runderdrek. Anderen droegen hooge pofpetten en zwarte kaplaarzen, en zilveren gespen prijkten op hun laken pakken. Allen waren baardeloos, groot en breed; hun schouders geleken de schoften hunner runderen en de stoppelige huid hunner ruwelijk gebeitelde koppen, door zon en regen geblaakt en bestormd, geleek het stugge vel hunner borstelige zwijnen. Zij spraken langzaam over markt en vee, met oorspronkelijke en schilderachtige uitdrukkingen, krachtig als hun vuisten en het scheen Peter, dat hij aanschouwde wat zij verhaalden.

De waard was klein en sterk, had een leep en wreed gezicht, waarvan het vel spande als de blaas van een trommel, zoodat zijn slimme oogen rond waren als van een uil. Later hoorde Peter, dat hij in Amsterdam een bordeel had gehouden,

Sluiten