Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

het hem scheen, als had hü haar nu voorgoed verloren.

Op zekeren Zondag wandelden zij weer samen, zonder het ezelken, dat kuchte en zijn lange ooren slap liet hangen, zoodat ze het in den veiligen stal hadden gelaten. De winter was voorbij; nog toonden de zwarte stammen hier en daar sporen van sneeuw, maar warm scheen de zon door de naakte takken en aan de struiken begonnen knoppen van heel licht groen te botten. Een luwe wind woei geuren aan van akker en weiland en zoo welgemoed voelde zich kleine Inez, dat ze een wüsje begon te zingen. Toen zij ophield, begon Ronald opeens heel opgewonden te vertellen over wat hij zou doen, als hij een man zou zijn. Dan zou hij een slot gaan bewonen, ergens hoog in de bergen; in de omliggende bosschen zou hij beren en evers bevechten en zij, zij zou de edelvrouw zün van het kasteel en in de mooiste zalen wonen. Of zij dat zou willen? Zü knikte, ja, dat zou heerlijk zün. Hij had nu zijn arm gelegd om haar schouders, gelijk zij den haren om zijn middel. Zü spraken niet meer, en voelden zich wonderlijk te moede. Een houtduif, die driftig woelde in de zwarte, geurige aarde, vluchtte toen zij naderden, met snelle slagen. Hun blikken volgden den vogel, totdat zij hem in de diepten van het bosch op een

Sluiten