Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

wilde verder gaan, toen lüj opeens de kast met haar gebersten paneelen zich naar binnen openen en tegen den donkeren achtergrond van het winkeltje, waarin rijen folianten en een aardbol zich raden lieten, de gebogen gestalten van een grooten jongen en een kleine jodin verschijnen zag. De jongen had een beenig, onregelmatig gezicht, onrustige oogen, een haviksneus, die naar het einde lichtelijk afweek en lippen, die slordig en hevig van lijn waren. Hn wees met een groote, ruwe hand naar den Bouddha en zeide eenige woorden tot de verschrompelde, tanige jodin, die, wantrouwend en afwerend, haar lippen samenpersend, knikte. Dan strekte hn zün hand uit, begeerig en aarzelend en vatte het beeld met een greep, zoo voorzichtig en eerbiedig, als gold het eeri heilig ritueel. In den valen regendag scheen znn gezicht zoo bleek als het beeld zelf van den glimlachenden, in eeuwige rust verzonken god en met verbazing zag oom Sijmen, die hem aanstonds herkend had, dat zijn trekken geenszins grof waren, gelnk hij aanvankelijk had gemeend. Zijn onbeholpen houding en de krampachtig gekromde vingers, waarmede lüj het beeld hield, verrieden znn beduchtheid het kostbaar voorwerp, dat hem kwalijk was toevertrouwd, onverhoeds te kunnen breken en de duistere uitdrukking, die oom

Sluiten