Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

zijn geworden. Hij leerde zijn sjofele kleederen borstelen en schuieren met dezelfde vaardigheid, waarmede hij de lijvige woordenboeken hanteerde. Zoodra hij thuis kwam, sloeg of wreef hij met een grooten, bonten lap zijn bestofte of beslijkte schoenen schoon. En scherp loerde hij naar vlekken, die hij met terpentijn of benzine boenend en zwoegend verdreef, zich telkens nieuwe fleschjes halend bij den drogist op den hoek, wiens lange, beige stof jas en groote, roode drankneus hem al spoedig even gemeenzaam werden als de witte kleedij en de witte krulbaard van het bakkertje, dat stellig in de nachtelijke uren, waarvan niemand het geheim doorgrondt, als een sneeuwmannetje uit een sprookje, dwaalde door de droomen van menig slapend kind. Op marktdagen mengde hij zich soms in de bezadigd woelende menigte en kocht bij een buikig, altoos glimlachend vrouwtje, wier rood gezicht wratten toonde als van een slaapster of wonderdoenster, lange strikdassen voor weinige stuivers, de vuurroode en hardgele mijdend en zich bepalend tot grijze of zwarte, al betreurde hü, dat de stugge stof de glanzen miste, waarvan hij droomde. En eens toefde hij langen tijd voor een duren winkel, waar vioolpaarse dassen gloeiden in het gouden kunstlicht.

Sluiten