Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

binnenloodsen. Kleine Inez kende hen natuurlijk en stellig was zij bang voor hen, vooral voor Arie, die een rooden kinbaard had en koperen ringen in zijn ooren en die altijd scheen te spotten, wanneer hij de voorbijgangers goedendag zeide. Hij rookte een pijp, die lager dan zijn ruigen kinbaard neerhing en waarvan de zwarte steel wonderlijk houtsnijwerk toonde, terwijl op den porceleinen kop een zomersch landschap prijkte, een groene wei, een blauwe rivier, een koebeest en een molen. Hij liep altijd op pantoffels van rood fluweel en zijn handen staken in de van boven aangebrachte zakken van zijn pilo broek, waardoor zijn elk> bogen uitstaken en hij iets gewichtigs en lachwekkends had. Pier, veel ouder, was baardeloos, stond altijd met gebogen rug en gebogen knieën en van onder zijn hooge pofpet sprong zijn haar in grijze, vette krullen te voorschijn; hij rookte niet, maar pruimde, en onverpoosd rees en daalde zijn malende onderkaak, terwijl telkens felle stralen aan zijn koffiebruine lippen ontschoten, het trottoirdeel waar zij toefden, schier onbegaanbaar makend. Hij tuurde altoos in de verte en keek niemand aan. Ook hem zou kleine Inez vreezen, schoon minder dan zijn wreeden kameraad.

Dikwijls slenterde Peter de Ooststraat af, de lijnbaan volgend, waarin twee touwslagers

Sluiten