Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

208

en in de masten der stilliggende schuiten. Peter en de vijftiger keken nu weer elk voor zich uit. Sedert de poging tot toenadering mislukt was, schenen zij hun belangstelling over en weer te hebben verloren. Peter bleef verzonken in de beschouwing van het beeld zijner lachende moeder. De vijftiger rookte zwijgend verder, en telkens trok een brandschijnsel over zijn duister gezicht. De slapende jockey dreigde eens op zij te vallen; met moeite richtte hij zich op, gelijk een beschonkene. De onderkaak van den bookmaker hing slap neer, zoodat zijn mond vol bruine, verbrokkelde tanden gaapte als een helsche krocht.

Utrecht groeide ras aan den nachtelijken einder en weldra stoomden zij remmend het groote, vale station binnen. De slapers ontwaakten, rekten zich gapend uit met krampachtige gebaren en dierlijke keelgeluiden. Allen spraken door elkaar, totdat Peter opeens de haastige sijfelstem van den bookmaker hoorde:

— Zeg Schnoerb, denk er an, dat we nog effe bij Eli langs motte...

De vijftiger had zich reeds uit het portierraam gebogen om het slot open te wringen. Zij daalden achtereenvolgens de treden af, zonder groet; alleen de bookmaker, die het laatst ging, draaide

Sluiten