Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

237

zien der vale, leege ruimte lachend en vertrouwd was. Opeens trof haar een fijn geluid en zij herkende met ontroering het piepen van muizen, dat zij als heel klein meisje dikwijls nieuwsgierig en verteederd had beluisterd. Zij dwaalde rond en beroerde de ringen, die aanstonds geduldig, schoon ongelijk begonnen te slingeren, terwijl de hengsels aan den dwarsbalk boven mistroostig maar goedmoedig en in mineur knarsten. Dan omvatte zij het touw met beide handen, trachtend gelijk vroeger te klimmen; reeds hoorde zij onder zich het doffe ploffen, maar haar handen deden pijn en zij had een gewaarwording, als werden haai* armen en schouders ontwricht, zoodat zij zich lachend weer omlaag liet glijden. Daarna ging zij uit het dakraam kijken; grauwe wolken zeilden in den blauwen hemel en zij zag als vroeger de snelle schaduwen glijden over de Betuwe. Zij tuurde of zij een reiger aan een verren slootkant zag staan, maar zij bedacht, dat het najaar was en dat de reigers naar warme landen waren gevloden gelijk de spreeuwen, die zij zoo dikwijls op de ruggen der koeien had zien zitten. Een paar oude paarden graasden temidden der runderen, maar vergeefs zocht zij de veulens, gelijk zij op hooge beenen plachten rond te draven. Zij opende het dakvenster; de lucht was mild als in het voor-

Sluiten