Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

259

de helling afstoof, terwijl de sneeuw, door den forschen hoefslag opgeworpen, Peter, die hem bewonderend nazag, langzaam bepoederde. Hij ging verder, maar dien ganschen dag en nog vele dagen dacht Peter aan den vreemden ruiter. Zijn haar was zoo blond als het koren, dat des zomers op het land onder den last der volle aren zwicht en de kleur van zijn gezicht zou te rood zijn, als niet de zon misschien van zuidelijke landen het getaand had. Hij scheen te mannelijk, nochtans was een denkende uitdrukking niet vreemd aan zijn groote, regelmatige trekken en aan de blauwe, drieste oogen, die even met bijna welwillende verwondering in de zijne gerust hadden.

In de dagen, die volgden, izwierf Peter veel in de duinen. Een krachtlooze winterzon scheen in den strakken blauwen hemel en ongerept lag het ruiterspoor op de sneeuw. Hjj volgde het den eersten dag, heuvel op, heuvel af, ver heen, maar naar eindelooze verten scheen het terug te gaan, zoodat Peter weldra baloorig deze vervolging opgaf. Daarna warrelden sneeuwjachten over de streek en Peter zag hoe het paardenspoor langzaam bedolven Werd. Dan woei een zoele dooiwind uit het zuiden, regens stroomden vele dagen en nachten en de heuvelen herkregen hun gewoon aanzien. De voorjaarszon, weldra, vulde de dalen

Sluiten