Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

De praktijk had geleerd, dat de Orde, — zonder hinder voor anderen, — met eigen geloof, ceremonie en kapelaan, geëerd kon bestaan, mits er voor gezorgd werd, dat alles binnen de muren bleef. De broeders moeten wel zeker van hun zaak geweest zijn, dat zij het hebben aangedurfd om na de eerste vage beschuldiging aan te dringen op een volledig onderzoek. Door een strengen eed gebonden, en nauw aaneengesloten, was het mogelijk er voor te waken, dat het geheim statuut, waarvan een aantal exemplaren in handschrift onder de kapittels berustten, zoolang verborgen bleef. Eerst nadat de grootmeester in Frankrijk was teruggekeerd, zoo verzekert een getuige, zou hij van bevriende zijde zijn gewaarschuwd, dat de te Athlit opgestelde geheime Regel ontdekt was, zoodat tijdig maatregelen genomen konden worden ze te doen verdwijnen. In het proces zijn de bewijsstukken dan ook niet overgelegd, en bestaat de mogelijkheid, zelfs de groote waarschijnlijkheid, dat ze nog in het Vaticaansche archief berusten.

De getuige Notaris Syci de Vercelli, die voor de Orde in het Oosten optrad, geeft te kennen, dat in 1274 een „kettersche dwaalleer" beleden werd, die de grootmeesters Willem de Beaujeu en Thomas Berard in Syrië verbreidden.

Tijdens het beroemde beleg van Damiëtte (1218—1220), —» waarin de Tempelridders vooraan stonden — zouden „Oude" Statuten in zwang zijn geweest, ontleend aan de kapittels van Provence, wier leer verwant was aan die der Albigenzen.

Na een nauwgezet onderzoek bleek, dat de Orde geen ketterij kon worden te laste gelegd. De fout der leden bestond

Sluiten