Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

d'Af fry's verzoek om uitlevering een goedgespeelde „comedie" om later met des te meer succes gebruik te maken van S. G.'s talenten. Aldus beschouwd komt de flinke houding van Bentinck in een gunstig licht te staan en kan men begrijpen dat, toen York tot d'Affry zeide, dat hij S. G. toch wel „rudement" behandeld had, d'Affry antwoordde: „Ma foi non, car il falu a la fin encore qu'il aye eu raison." Nog na het vertrek van S. G. moest d'Affry de mystificatie blijven doorspelen. Eerst op den 30 April 1760 zond hij uit naam van den Koning van Frankrijk een memorie aan de Staten van Holland met verzoek hem te machtigen den „impudent", den „imposteur" te arresteeren en onder behoorlijk geleide naar de Fransche grenzen te doen brengen. De vergadering besloot — onder leiding van Bentinck — nog denzelfden dag de zaak te doen onderzoeken door Pieck van Soelen. Het beste bewijs, dat dit college de zaak en bagatelle behandelde, is wel dat nimmer een officiëel rapport is uitgebracht en de memorie van d'Affry zonder diens protest onbeantwoord is gebleven. Alleen wist hij op 2 Mei 1760 aan Choiseul te berichten: „S. G. n'étant plus id, il suffisait que chaque province fut instruite, 's il reparaitrait. II me semble que c'est suffisant, plus que la publication de mon mémoire dans les Gazettes le décrie partout et pour toujours." x) De voorstelling van het verhaal van d'Affry, dat door bijna alle gezanten in Den Haag aan hunne Regeeringen werd overgebracht en als een loopend vuurtje in Europa de ronde deed, heeft veel bijgedragen tot de vrij algemeen gangbare meening,

1) Rijksarchief: Buitenlandsche Zaken. Onderschepte brieven van d'Affry.

Sluiten