Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 86 —

Menschen" — of dit: „Wenn du als Jud nicht diese Welt hast, hast du doch wenigstens jene Welt, und ein Goi hat nicht diese Welt und nicht jene Welt. Was hat der Goi von seinem Leben überhaupt ? Ein Jud, wenn er geboren wird, ist ein Jontef, Masseltow, und wenn er acht Tage alt wird, hat er schon eine Mizwe und wenn er sechs Jahre wird, geht er in den Cheder und lernt die heilige Thora, und ist er dreizehn Jahr, legt er Tefilin und zahlt zum Minjen, und dann lernt er und hat Mitzwes, seinen Schabbes und seinen Jontef, ist wohltatig und sagt Kaddisch, wenn sein Vater stirbt; kurzum, er lebt wie es Gott geboten hat, er hat was von seinem Leben." — En dat zegt Joschi Schnorrer,- tot den opstandigen Mote Goi, aan den ingang van 't Keiwr'-Owous, waar ze de handen moeten strekken . ..

Dat tenslotte is kunst... we zien, we hooren, we denken, we voelen erbij, en we*rusten er bij uit. Hier zijn het niet de woorden, die 't doen. Hier is de Neschomme van het ghetto in 't rhythme van den kunstenaar getrokken en hij spreekt, wat zij hem influistert.

Opmerkelijk is het, dat in 't Westen de ghetto-roman zoo zeldzaam en de ghetto-novelle zoo veelvuldig is. Dit komt waarschijnhjk doordat de ghetto-schrijver zelf het ghetto te veel verlaten heeft, er zich buiten en boven voelt staan, zoodat het leven daar zich als kleine herinneringen in zijn geest heeft vastgezet, die hij nu als typische, eigenaardige schilderijtjes het publiek toonen wil. Niet leeft hij in dien massalen stroom van lust en leed, hartstochten en overdenkingen, dien menschehjken levensstroom, die hier Joodsch en proletarisch gekleurd is, en die de wijdte van den roman eischt om in kunst tot uitbeelding te komen. Van buitenstaander moest hij medelever worden. Geen aparte kantjes moest hij uitbeelden, doch heel het menschelijke leven in zijn Joodsche gedaante. Dan pas zal hij zijn volk en het ghetto recht doen. Dan pas zal hij den eerbied gevoeld hebben, dien het ghetto hem moet afdwingen. Niet met min-

Sluiten