Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 88 —

waarin slechts de zuivere, aesthetische schoonheidsletterkunde bloeien kan.

Ook hier valt weer op, dat de kleine schets het verre wint van den roman; dit, mijns inziens, wijl die Oost-Joodsche literatuur jong nog is, en in klein bestek haar vleugels oefenen moest vóór de groote vlucht. Waar romanletterkunde ontstond, doet deze mij het meest denken aan den vóór 19deeeuwschen realistischen roman. Een zekere lust tot het schilderen van vele wisselende tooneelen; neiging om het humoristische af te wisselen met het didactische, het inschuiven van aparte verhalen (vooral bij Agnon, het procédé dat de Franschen „roman a tiroir" noemen); een zeker gemis aan het licht-schaduwspel, dat de negentiende eeuw gebracht heeft; en daarvoor in de plaats, het scherpe poppetje, naast poppetje, lijntje naast lijntje zetten, dat bij die oude realisten zoo opviel; dit alles karakteriseert die romans, zoowel van Mendale, als van Smolenskin, Agnon e.a.

Door duidelijkheid en ferme kleur munten zij uit, doch achtergrond, schaduwspel, lichtvervloeiingen, hieraan ontbreekt het.

In Bergelsohn's oeuvre, en ten deele ook in Perez, vinden wij echter hét meer modern Europeesche stemmingsvollere, doch een minder frisch-geschilderde tafereelen-kunst. Misschien ook is Russische invloed hier niet vreemd aan. Bij deze laatsten is het rationalistische geheel verdwenen. En een soort mystische stemmingssomberheid hangt over hun woorden.

De Oost-Joodsche ghetto-kunst is realistisch in wezen, en beschrijft haar onderwerpen in een naïeve, niet gewildnaturalistische, doch zuiver reëele taal. Geen literaire taalconventie heeft in 't Jiddisch de schrijftaal en de spreektaal van elkaar gescheiden. Integendeel, zij staan zoo vlak naast elkaar, dat het schijnt, of de schrijver zich in persoonlijk gesprek tot den lezer richt.

Sluiten