Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Om¬

roerende der ghettoïsten. Zijn ghetto is niet vroolijk, maar een echt land van Galoeth. Ook economische ellende beeldt hij uit, doch niet met verontwaardiging en verwijt, als Mendale, maar in mineur; een smartlied in proza. Ook is hij de diepzinnigste! Zijn eenvoudigen denken na over de verhouding tusschen lichaam en ziel.

De derde groote ghetto-classicus is wel Scholem Aleichem — Salomon Rabinowitch —. Hij is meer een geestverwant van Mendale dan van Perez. Toch behoort hij niet tot de Maskiiim, maar is een schrijver van de derde generatie. Ook hij hekelt, echter in luchtige woorden, en met een sans-gêne, zooals Mendale het niet kende, ghetto-toestanden. Niet, omdat bij denkt verbeteringen te kunnen aanbrengen, doch om den vrijen loop te geven aan het satirieke karakter, waarmede hij ter wereld kwam. Hij is een geboren spotter, iets Heineaansch is hem eigen. Grimassen trekt hij tegen de menschen, met wie hem het leven in aanraking bracht. Doch ook deze ghettoïst, al speelt hij met zijn volk, bemint zijn ghetto-Joden.

„Das Tagebuch eines Knaben" b.v. volgt een ghettozoontje op zijn zwerftocht van 't Oosten naar Amerika, en met grapjes en spotternij openbaart het ons de ellende van den armen Joodschen emigrant en diens naïeve teleurstellingen. Alleraardigst heeft hij 't contrast tusschen de mondaine vrouwen, die hun tijd met roddelen in Mariênbad zoek brengen, en de haar spionneerende nijvere echtgenooten uit Warschau, de Oost-Joodsche bourgeoisie, in zijn „Mariênbad" weergegeven.

Als vertegenwoordigers der zuiver aesthetische kunst, die de zaken der werkelijkheid herbedden om haar poëzie én haar schoonheid, zou ik Agnon nog willen vermelden en Gorrelik.

Agnon verbindt de oude taal van ons volk met de moderne ghetto-toestanden. In een plechtig bijbelsch Hebreeuwsch schrijft hij over arme lieden, die echter de wijding behielden, waarmede onze voorouders, ernstige Oostersche

Sluiten