Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 126 —

handelsweg van Italië naar Polen en de Noord-Oostelijke landen en steden via Frankfort ging. Toch geven de Marranen hun pogen niet op. Het bij Frankfort liggende Hanau had den 28 December 1603 van zijn Landgraaf Philips Ludwig, die zooals het in de considerans luidt „vom Römischen „Kayserlichen Majestat unsern allergnadigsten Herrn und „dem heiligen Reich die Jüdischheit in unserer Graf- und „Herrschaften Hanau auch anderen Orten zu Lehen gedragen" zijn Joden Privilegia und Freyheiten gegeven, die nogal gunstig afstaken bij andere Joden-reglementen in Duitschland. Betrekkelijk kort erop vroegen Portugeesche Joden uit Venetië, wien het dus niet gelukt was zich in Frankfort a. d. M. neder te zetten, bij den Magistraat te Hanau of zij daar konden komen. De acten hierover loopen over de jaren 1606 tot 1609. Daar is onder andere ook een stuk bij waarin Simon Verona uit Ferrara 29 September 1609 — let op het vroege jaartal — verklaart, dat sommige Marranen, die nu in Hamburg, Amsterdam en elders woonden „gute „Lusten natten anhero zu kommen, da sie nur etliche Privi„legien und Freiheiten von Iro Gnaden (dat is de Landgraaf) „erlangen könnten."

En in de vragen, die zoowel door de Venetiaansche Joden worden gesteld, als later namens hen, die uit Hamburg, Amsterdam en elders wilden komen, zijn zuivere handelsvragen over de ligging van Hanau, waarop het antwoord luidde: „Es geht auch durch Hanau die gemeine Landstrass „aufPrag, Wien, Nürnberg, Leipzig, Hamburgk, Frankfurt." Zij vragen ook bijv. „ob die Juden zu Hanau sicher mögen „handeln nach Francfurt mit allerlei Wahren wie andere „Kaufleute" en verder „zuwissen ob die Waren wegen der „Ein- und Ausfahrt der Stadt schweren Zoll bezahlen und „wie viel."

Een gedeelte dezer acten is in het XlVde Jahrbuch der jüdisch-literarischen Gesellschaft, Frankfurt a. M. 1921, door nu wijlen Dr. Leopold Löwenstein uitgegeven. Het oorspronkelijke Italiaansche stuk, dat de vragen uit 1609

Sluiten