Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— i4i —

sche gemeente; de vooruitgang van de Hoogduitsche gemeente zou op den duur worden tegengegaan door het bestaan van de Poolsche. De Portugeesche Parnassijns zagen dit waarschijnlijk niet ongaarne, geloovende, dank de oneenigheid tusschen de beide andere gemeenten, aldus aan de spits van de Joodsche gemeenschap te kunnen blijven staan.

De Hoogduitsche Joden waren den Poolschen dan ook blijkbaar niet welwillend gezind. In de door Maarsen gepubliceerde brieven hangen de Portugeesche Rabbijnen een schril beeld daarvan op:

„Wij aanschouwen met leedwezen de verdrukkingen, die de „Hoogduitsche Joden de Polen doen ondergaan. Daardoor „maken zij hun aangezicht zwart van verdriet als de bodem „van een pot, zij bejegenen hen allersmadelijkst en vertreden „hen in strijd met alle rechten en wetten. Daar wij de „tranen van de verdrukten aanschouwden, konden wij ons „niet bedwingen en hebben niet geaarzeld de verdrukten te „bevrijden uit de hand van hun verdrukkers, want de Polen „zijn nimmer weerspannig geweest, en steeds bereid de „scheidsrechterlijke uitspraken op te volgen, en hebben daartegen niet het minste geopponeerd. De Hoogduitsche Joden „echter vergelden ons niet de weldaden, die wij hun hebben „bewezen. Zij zijn hoovaardig jegens ons en wenden ons den „nek toe, en zijn niet gedachtig, dat wij hen van oudsher „hebben gesteund en hun armen verzorgd en hun schamelen „gekleed, en voor zoover onder Godes zegen onze hand „strekte hen geholpen hebben, gelijk dit overal ter wereld „bekend is."

Waar hier de waarheid eindigt en de overdrijving begint, valt moeilijk te onderscheiden. De passage herinnert sterk aan het beeld, dat R. Jacob Emden in zijn autobiografie heeft opgehangen van de mishandelingen en vernederingen, die de partij van R. Leib Gazzen den aanhangers van R. Jechiel Gazzen hebben doen ondergaan 10).

Wellicht hebben de Hoogduitsche Joden bij Burgemeesteren de opheffing van de Poolsche gemeente zoeken te ver-

Sluiten