Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid en eenstemmigheid tusschen regeering en burgerij tot stand te brengen. Men achtte daartoe een algemeene overeenstemming van belangen en gevoelens voldoende; een verkiezing der regeering door de burgerij vond men onnoodig, ondenkbaar en zelfs gevaarlijk. Niet alle stroomingen onder de burgerij vonden uitdrukking op het raadhuis en niemand achtte dat noodig; wanneer slechts de burger zijn wenschen en grieven ter kennis kon brengen van het stadsbestuur en op het stadhuis geregeld daarmede rekening werd gehouden, was aan alle eischen voldaan. Openbaarde zich een scherp verschil van gevoelens, was het evenwicht tusschen regeering en burgerij geheel verbroken, dan was een min of meer ernstig oproer voldoende om de wenschen der burgerij door te zetten. De meeste oproeren hebben dan ook effect gehad; de belhamels werden opgehangen, maar de regeering gaf toe; een gehate keur werd ingetrokken; een verfoeide belasting werd afgeschaft; een gehaat regent of ambtenaar trok zich terug. Maar aan verandering van den regeeringsvorm dachten slechts weinigen.

Aan zulk een verandering begonnen meer burgers in de achttiende eeuw te denken, toen de corruptie in de regeering toenam en bovendien al te klaarblijkelijk werd. Reeds in de zeventiende eeuw begon de regeering wat los te staan van de burgerij; in de achttiende eeuw verwijderde zij zich steeds meer van de geregeerden. Er was een regentenstand gevormd, die zich merkbaar als zoodanig gevoelde en dan ook door de burgerij als zoodanig werd beschouwd. De regeering sloot zich hoe langer hoe scherper af van de groote massa der burgerij. Het stadsbestuur werd in de handen van sommige regenten een middel tot verrijking van zich zelf en hun familie; wie zich zelf niet aan corruptie schuldig maakte, verdroeg deze toch in zijn standgenooten. Zoo werd de overgroote macht der burgemeesteren, eens een begeerlijke kracht ten goede, een verdervende hand niet alleen voor de burgerij, maar ook voor de regenten zelf. Er waren burgemeesters, „die zich door de infaamste knevelarijen en extorsjes tot voorwerpen van den algemeenen haat hadden gemaakt; zij waren gewoon geen ampt aan iemand te geven, of hij moest een zeker quantum bij wijze van retributie betalen". Er waren er natuurlijk en gelukkig ook anderen. Maar het blijft toch waar,

45

Sluiten