Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenwerking van hare Directie werd toegeschreven en Prins Hendrik zelf door een persoonlijk onderhoud de Directie tot staking harer oppositie kwam bewegen.

Zwaar leed Amsterdam in deze jaren onder zijn slechte verbinding met de zee; op dit gebied begon men echter wakker te worden. In 1848 publiceerden Faddegon en Kloppenburg een zeer fantastisch plan tot het droogleggen van IJ en Zuiderzee en het scheppen van een Kanaal door Noord Holland op zijn Smalst, een plan, dat Vissering zijn merkwaardig opstel, Een uitstapje naar IJmvaden, in de pen gaf. De stoot tot de eigenlijke kanaalplannen kwam echter, toen door de Regeering in 1851 het lossen en laden te den Helder werd toegelaten, waardoor de Amsterdamsche handel zich naar de voorhaven dreigde te verplaatsen. Aanvankelijk bestond het voornemen het kanaal buiten het IJ om, langs den zuidelijken oever te leggen; notaris Jaeger daarentegen kwam in combinatie met de Engelsche ingenieurs van de kort te voren opgerichte Duinwaterleiding-maatschappij met een concessie-aanvraag tot het aanleggen van een kanaal door het IJ zonder afsluiting van dezen zeeboezem aan de Oostzijde evenwel. Het eerste plan van het latere kanaal met afsluiting kwam van den genieofficier Froger, die er een kanaal door de Geldersche vallei aan wilde verbinden.

Het is onmogelijk in een kort bestek de ingewikkelde geschiedenis van het Noordzee-kanaal te behandelen; ten slotte verkreeg Jaeger, die de plannen door Froger in diens geest deed omwerken, de concessie, terwijl Thorbecke aan de Kanaal Maatschappij de ondersteurüng der regeering verzekerde. Ook nu kwam allerlei tegenspoed, o.a. door het niet volteekenen van het kapitaal der maatschappij; pas na het terugtreden van Jaeger kon in 1865 in den Breesaap de eerste spade in den grond worden gestoken en eerst na elf jaren, vol van wederwaardigheden, na tegenspoed, die eiken kans op slagen scheen uit te sluiten, kon het nog lang niet voltooide kanaal op 1 November 1876 voor het verkeer worden geopend.

Inmiddels bleef de handel kwijnen, terwijl het verkeer met den Rijn geheel te gronde ging.

Ook op ander gebied was er in Amsterdam weinig ondernemingsgeest. Toen in 1869 het Suez-kanaal, dat practisch alleen aan stoomschepen diensten kon bewijzen, voor het

172

Sluiten