Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lingen, bij de groote meerderheid der leden bijvall) en het gedeelte betrekking hebbende op het indienen van amendementen ontmoette weinig of geen bedenking, maar vele leden verklaarden, aangezien in de vorige zitting de Regeering zich ongunstig over zoodanig voorstel had uitgelaten, dat zij hunne eindbeslissing van de inzichten der Regeering wilden doen afhangen. Bij den aanvang der openbare beraadslaging zette de Minister van Binnenlandsche Zaken, de heer Schimmelpenninck van der Oije, het standpunt der Regeering uiteen. Uit zijne rede blijkt, dat de Regeering met leede oogen zag hoe allengs in de Kamer neiging ontstond buiten de Regeering om gewichtige wijzigingen in het reglement van orde te brengen. De thans voorgedragen veranderingen waren, wat de belangrijkste betreft, haars inziens niet in overeenstemming met de bepalingen der Grondwet en strijdig met het Staatsbelang. De Minister verzette zich uit dien hoofde krachtig tegen het voorstel betreffende de schriftelijke behandeling der wetsvoorstellen door eene commissie van rapporteurs en tegen dat omtrent het indienen van amendementen. Deze zienswijze der Regeering had op den uitslag der overwegingen grooten invloed. Wel trachtte de Commissie voor de herziening dezen te neutraliseeren door een additioneel artikel voor te stellen, strekkende om de inwerkingtreding van de voorgestelde veranderingen uit te stellen „tot na de toetreding der Regeering", maar ook dit kon de balans niet ten gunste der gedane voorstellen doen overslaan. Het voorstel der commissie, dat in de afdeelingen zoo gunstig was ontvangen, werd met 40 tegen 10 stemmen verworpen. (Hand. 1844—1845, blz. 202—230; bijl. blz. 306—321.)

Bij art. 111 van het reglement van 1842 was bepaald, dat het reglement uiterlijk na verloop van drie jaren aan eene herziening moest worden onderworpen. Met den aanvang der zitting 1845—1846 waren de drie jaren verstreken en de Kamer besloot den 27sten October 1845 tot de herziening van het reglement over te gaan. Daartoe werd door

De heer NEDERMEIJER VAN ROSENTHAL, lid der commissie, vertelde later, in de vergadering van 24 April 1849, dat van de 43 leden, die het afdeelingsonderzoek bijwoonden, 34 zich met de algemeene strekking van het voorstel hadden vereenigd.

26

Sluiten