Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het reglement aldus te doen luiden: „Alle werkzaamheden der Kamer of van door haar, den voorzitter of de afdeelingen benoemde commissiën, die bij de sluiting eener zitting onafgedaan zijn gebleven, ook de behandeling van weder ingekomen voorstellen des Konings, worden in de volgende zitting hervat, tenzij de Kamer anders beslist." Dit amendement werd verworpen. Een zelfde lot trof een amendementMackay om de prise en considération van initiatiefvoorstellen af te schaffen.

Het reglement, zooals het tijdens de beraadslagingen was vastgesteld, werd in zijn geheel aangenomen met 43 tegen 2 stemmen en trad onmiddellijk in werking. (De artikelen, betrekking hebbende op de schriftelijke voorbereiding van de beraadslaging over wetsvoorstellen, zijn opgenomen in bijlage IV.)

(Hand. 1851—1852, blz. 735, 743—750, 751, 1054—10741; bijl. blz. 537—540, 613—617, 669—671.)

Zittingen 1856—1857 en 1857—1858. Den 13den Juli 1857 kwam de heer Dullert terug op de quaestie betreffende het stuiten der werkzaamheden door de sluiting der zitting. Hij diende een voorstel in, strekkende om in het reglement te bepalen, dat de behandeling van voorstellen des Konings, die bij de sluiting eener zitting onafgedaan was, indien de voorstellen in de nieuwe zitting van regeeringswegè opnieuw werden ingezonden, zou worden hervat. De Kamer was overstelpt met wetsontwerpen; het voorstel beoogde bespoediging van de afdoening van zaken.

Het voorstel werd den 16den Juli in handen gesteld van eene door de afdeelingen benoemde commissie. Deze commissie bracht 20 Juli verslag uit. Zij beantwoordde de vraag, of sluiting der zitting stuiting der werkzaamheden aan de nog bij de Kamer aanhangige wetsontwerpen behoorde mede te brengen, toestemmend, zij het ook op verschillende gronden. Eenparig was de commissie echter van oordeel, dat matiging in de toepassing van dat beginsel gewenscht was. Maar omtrent de vraag hoe daartoe te geraken, bestond geen eenstemmigheid. Het voorstel-Dullert werd daartoe niet geschikt geacht. De meerderheid der commissie meende, dat het beoogde doel kon worden bereikt, indien de Regeering wilde te kennen geven, zonder tevens een wetsontwerp

51

Sluiten