Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwerpen zelfstandig voorbereiden. Het afdeelingsonderzoek van die ontwerpen zou vervallen. In verband hiermede zouden de leden der Kamer, die niet lid der commissie waren, door inlevering van nota's van hun gevoelen kunnen doen blijken en zij zouden het recht hebben aan de beraadslaging over hunne nota's in de commissie deel te nemen. Eene commissie,' als door hen werd voorgesteld, zou, meenden de voorstellers, er toe kunnen bijdragen, dat de Kamer bij hare beslissing geregeld zekere leidende gedachten volgde, waarmede ook de Regeering bij de voorbereiding der wetsontwerpen rekening zou kunnen houden.

Blijkens het den 6den December 1916 uitgebrachte voorloopig verslag, was men „vrij algemeen van gevoelen, dat de voorgestelde wijziging niet voldoende was gemotiveerd en dat in meer dan één opzicht de tegenwoordige werkwijze ten aanzien van bedoelde wetsontwerpen was te verkiezen".

De voorstellers zonden 13 Februari 1917 eene uitvoerige memorie ter beantwoording van de tegen hun voorstel ingebrachte bedenkingen in. Kort daarop overleed de eerste onderteekenaar van het voorstel en dit bleef gedurende verscheidene zittingen liggen, zonder dat er eindverslag over werd uitgebracht. Bij het overnemen van de onafgedane werkzaamheden der oude Kamer bij het optreden der nieuwe in 1922, werd besloten de werkzaamheden aan het voorstel niet te hervatten. Nóch van de zijde der commissie van rapporteurs, nóch van de zijde van de voorstellers waren blijken gegeven — zoo merkte de Voorzitter °P —. dat op behandeling van het voorstel prijs werd gesteld.

(Hand. 1916—1917, bijl. n°. 263; Hand. 1922, blz. 15.)

Zittingen 1916—1917,1917—1918 en 1918—1919. In Mei 1917 kwam bij de Kamer in behandeling een anderhalf jaar vroeger door den heer van Leeuwen gedaan voorstel tot het benoemen van eene commissie tot het ontwerpen van een adres aan de Koningin in zake vergrooting van het aandeel der Kamer in het bestuur der buitenlandsche betrekkingen. De bespreking van het voorstel, ten nauwste verband houdende met het sedert den oorlog actueel geworden onderwerp van de verhouding van de Regeering en de Volksvertegenwoordiging ter zake van de buitenlandsche politiek,

115

Sluiten