Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tweede betrof het voorstel, dat bij den aanvang eener zitting niet meer het oudste lid in jaren als tijdelijk Voorzitter zou optreden, maar een oud-voorzitter, met dien verstande, dat de laatstafgetredene den voorrang heeft. Bij ontstentenis van zoodanig lid zou als tijdelijk Voorzitter optreden een der in vorige zittingen als tweede of derde candidaat op de nominaties voor het voorzitterschap geplaatste leden, met dien verstande, dat steeds de tweede boven den derde en de op eene latere opgave geplaatsten boven die van eene vroegere nominatie den voorrang zouden hebben. Eerst bij het ontbreken van deze leden zou het oudste lid als tijdelijk Voorzitter optreden.

De voorstellers brachten in herinnering, dat in de reglementen van 1842 en 1846 was bepaald, dat de eerste bijeenkomst na de opening werd voorgezeten door den laatst afgetreden Voorzitter, in de vergadering tegenwoordig, of bij ontstentenis van dezen door het oudste lid in jaren. De voorgestelde wijziging sloot zich hierbij aan en zou ten gevolge hebben, dat in den regel het tijdelijk voorzitterschap zou bekleed worden door een lid, dat ten opzichte van de leiding der vergadering ervaring heeft opgedaan. In het 2de, 3de en 4de jaar eener legislatieve periode zou het lid, dat in het 1ste jaar Voorzitter was, als tijdelijk Voorzitter fungeeren.

De voorstellen betroffen verder:

3°. eene wijziging van art. 6 van het reglement in dien zin, dat duidelijk zou komen vast te staan, dat buiten de gevallen van ontbinding en periodieke aftreding, het opmaken der opgave voor de benoeming van den Voorzitter der Kamer in de eerste vergadering na de opening kan plaats hebben, gelijk ook feitelijk steeds geschiedde;

4°. het vervallen van art. 7 van het reglement, luidende: „Zoodra 's Konings keuze aan den tijdelijken Voorzitter bekend geworden is, roept deze de Kamer bijeen ten einde het voorzitterschap aan den benoemde over te dragen." Dit artikel maakte het optreden van den benoemden Voorzitter afhankelijk van het overdragen van het voorzitterschap door den tijdelijken Voorzitter in eene vergadering der Kamer. Dit scheen den voorstellers niet juist toe, aangezien de Voorzitter krachtens het Koninklijk besluit tot zijne benoeming voor het tijdperk der zitting bevoegd is als

118

Sluiten