Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 6—7. Zitting 1888 (Mei—Sept.))

Zitting J888—89 |jhr mr q j Th. Beelaerts van Blokland,

1890— 91 )

1891— 92)

t/m [Mr. J. G. Gleichman.

1900— 1 )

1901— 2

t/m [Mr. JE. Baron mackay.

1904— 5 )

1905— 6 )

t/m Jhr. Mr. J. RoËll.

1908— 9 I

1909— 10

t/m Mr. W. K. F. P. Graaf van Bylandt.

1911— 12)

1912— 13 Jhr. Mr. O. F. A. M. van NlSPEN tot sevenaer.

1913— Jan. 17 Mr. H. Goeman Borgesius. 1917 (Jan.)—18)

t/m Mr. D. Fock.

1920 (Oct.)—21)

19?? (?ooi~"^|Mr. D. A. P. N. koolen. t/m 1924—25)

Art. 7. De plichten des Voorzitters bestaan voornamelijk: in het leiden van de werkzaamheden der Kamer; in het handhaven der orde bij de beraadslaging; in het nauwgezet in acht nemen en doen naleven van het Reglement van Orde; in het verleenen van het woord; in het stellen der door de Kamer te beslissen vraagpunten; in het aankondigen van de uitkomst der stemmingen en het uitvoeren der besluiten, door de Kamer genomen.

(Art. 8 1888, 1874, 1852, 1851, 1849; art. 9 1846, 1842.)

Orde. Met het oog op de handhaving der orde zijn den Voorzitter verschillende bevoegdheden toegekend. Hij kan de leden hunne zitplaatsen doen innemen en hen verplichten van de spreekplaats te spreken (art. 69); hij kan een spreker onderbreken om hem te herinneren aan het opvolgen van het reglement van orde (art. 70) of het onderwerp in behandeling (art. 72); hij kan een lid vermanen, tot de orde roepen en hem het woord ontnemen (artt. 71 en 73); hij kan voorstellen een lid den toegang tot het Kamerge-; bouw te ontzeggen (art7 74), de beraadslaging te sluiten (artt. 76 en 77); hij kan de vergadering schorsen (art. 86). Toehoorders, die de orde storen, kan hij doen vertrekken (art. 161).

Het is door den Voorzitter meermalen als eene goede gewoonte aangemerkt om in de Kamer buiten de besprekingen

204

Sluiten