Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artt. 10—12. werd aangevoerd, dat de alinea ook op commissies van rapporteurs toepasselijk was en dat de Kamer eene door eene afdeeling gedane benoeming niet kon te niet doen.

In de practijk wordt de bepaling zóó toegepast, dat de Voorzitter der Kamer de commissie aanvult of het voorstel tot aanvulling doet, niet alleen in geval van vacatures door ontslag of overlijden, maar ook als hem uit te zijner kennis gekomen feiten belemmering van de werkzaamheden eener commissie ten gevolge van voortdurende afwezigheid van een of meer leden is gebleken. „Aanvulling" is steeds zoo opgevat, dat in de plaats van het afwezig blijvende lid een nieuw lid wordt benoemd. Aanvulling van eene commissie wegens langdurige afwezigheid van een lid komt zelden voor. Vgl. Hand. 1889—90, blz. 864; wegens langdurige ziekte: Hand. 1923—24, blz. 1191.

Aanvulling van commissiën op dezelfde wijze als waarop zij zijn benoemd. Ingeval eene commissie van rapporteurs moet worden aangevuld, welke is benoemd door afdeelingen van eene vorige Kamer, en die dus niet meer voor de benoeming van een nieuwen rapporteur kunnen bijeenkomen, wordt de Voorzitter door de Kamer gemachtigd nieuwe rapporteurs te benoemen. Vgl. o. a. Hand. 1908—9, blz. 576; 1909—10, blz. 1702 en 2139; 1913—14, blz. 1296—97; 1918— 19, blz. 61, 232, 552, 1542, 1730; 1920—21, blz. 41; 1921— 22, blz. 1531; 1922—23, blz. 13, 1404; 1924—25, blz. 1428.

Art. 11. Aan den Griffier der Kamer wordt het beheer opgedragen over de boekerij en over al wat verder tot het huishoudelijke der Kamer betrekking heeft. De Voorzitter, bijgestaan door twee leden, daartoe telken jare door de Kamer te benoemen1), oefent hierover het oppertoezicht uit.

(Art. 12 1888, 1874, 1872, 1852, 1851; art. 13 1849; art. 14 1846, 1842.)

Art. 12. Jaarlijks vóór de sluiting der zitting wordt de raming der in het volgende jaar voor de Kamer benoodigde nitgaven door de Commissie voor de huishoudelijke aangelegenbeden opgemaakt, en, na in eene vergadering met gesloten deuren door de Kamer te zijn vastgesteld, aan den betrokken Minister ingezonden.

(Art. 13 1888, 1874, 1872, 1852, 1851.)

!) Deze benoeming heeft plaats met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk VII van het r. v. o.

212

Sluiten