Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 95. XI. 19 Mei 1914 werd op het wetsontwerp Inkomstenbelasting

(1913—14: 18) door de heeren Fleskens en van Sasse van Ysselt een amendement voorgesteld, waarbij een geheel nieuw hoofdstuk in de wet zou worden gebracht. Het betrof het brengen van verband tusschen de heffing van plaatselijke inkomstenbelastingen en die van de Rijksinkomstenbelasting door aan de gemeenten het recht te geven onder zekere voorwaarden hare inkomstenbelasting door de Rijksadministratie te doen heffen en invorderen. De Voorzitter stelde voor het amendement ontoelaatbaar te verklaren, aangezien het eigenlijk een nieuw wetsontwerp bevatte en eene materie regelde, die zelfs niet den Minister, betrokken bij het in behandeling zijnde wetsontwerp (dien van Financiën), maar den Minister van Binnenlandsche Zaken betrof. Het ging hier dus om het bréngen van eene wijziging in de Gemeentewet bij een wetsontwerp, waarmede de Minister van Binnenlandsche Zaken in het geheel niet had te maken. De Regeering, naar haar gevoelen gevraagd, deelde bij monde van den Minister van Binnenlandsche Zaken — in eene belangrijke speech — hare zienswijze mede omtrent het brengen van wijzigingen in wetsontwerpen, welke eene andere materie betreffen dan in het wetsontwerp, waarop zij worden voorgesteld, is behandeld. De Kamer besloot het amendement niet toe tè laten. Hand. 1913—14, blz, 2111—6.

TOEGELATEN AMENDEMENTEN.

XII. 17 Juli 1852 waren elf naturalisatiewetten aan de orde. Door den' heer Wintgens werd bij amendement voorgesteld deze naturalisaties in ééne wet samen te vatten, waarbij in elf artikelen de naturalisatie van al deze personen werd voorgedragen. Ofschoon van eenige zijden tegenkanting ontmoetende, werd dit amendement in behandeling gebracht. Later ingetrokken. Vgl. de rede van den Minister van Justitie. Hand. 1851—52, blz. 1327—9.

XIII. 23 Mei 1857 werd een amendement van den heer Sander op art. 41 der Jachtwet (strafbepalingen) door de Kamer behandeld. Volgens verklaring van den Minister van Justitie hield het amendement een geheel ander strafstelsel in, dan door de Regeering in het betrokken artikel was nedergelegd. Hand. 1856" 57, blz. 890.

XIV. 19 Juli 1860 werd bij de behandeling der wet tot aanleg van spoorwegen voor rekening van den Staat, door den heer Thorbecke c. s. een amendement voorgesteld, tot strekking hebbende om aanvragen van concessie voor particuliere spoorwegen uit te lokken. De Minister van Binnenlandsche Zaken en eenige leden beweerden, dat dit voorstel niet als amendement kon worden beschouwd. Dit punt trad echter niet op den voorgrond. Het amendement werd als zoodanig in behandeling genomen. Hand. 185°;—60, blz, 723—50.

XV. 26 April 1877 was aan de orde een wetsontwerp tot régeling van het bouwen op of langs dijken. Het bevatte 18 artikelen tot regeling van dit onderwerp, en bij het laatste artikel werd het Keizerlijk Decreet van 2 November 1810, dat dezelfde regeling beoogde, ingetrokken. De commissie van rapporteurs stelde bij amendement voor om vóór de 18 artikelen van het wetsontwerp een

318

Sluiten