Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 95. te treden, verklaarde de Voorzitter, dat er dan ook van zijne zijde geen bezwaar bestond tegen de toelating. Hand. 1878—79, blz. 694—5.

XLV. 28 Mei 1884. In behandeling was een wetsontwerp tot wijziging van eenige artikelen der wet op het lager onderwijs. Een amendement, strekkende tot wijziging van art. 8 der .Onderwijswet, waaromtrent door de Regeering geen voorstel was gedaan, werd toegelaten. De considerans luidde: „wijziging van eenige artikelen". Hand. 1883 —84, blz. 1434—6 (Vgl. Voorzitter, blz. 1435).

XLVI. Bij de behandeling in 1889 van het wetsontwerp tot gedeeltelijke herziening der Onderwijswet van 1878 werden door amendeering artikelen van die wet gewijzigd, waaromtrent door de Regeering geen voorstel was gedaan, o. a. de artt. 14, 26, 32, 44, 64 en 79 (Vgl. Hand. 1888—89, blz. 1623).

Blijkens eene rede van den Voorzitter gold de opvatting „dat aan de orde zijn die artikelen van de wet op het lager onderwijs, welke öf door de Regeering ter wijziging werden voorgedragen, öf waaromtrent amendementen door leden der Kamer zijn ingediend". Hand. 1888—89, blz. 1523.

Hierbij zij nog vermeld, dat bij de behandeling in 1885 van het wetsontwerp tot vaststelling van wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering o. a. eene wijziging van art. 62 werd behandeld en eene wijziging in art. 68 aangebracht, omtrent welke beide artikelen door de Regeering geen voorstel was gedaan. Vgl. Hand. 1885—86, blz. 141—151.

Ook bij het in genoemd jaar behandelde wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, werden amendementen behandeld, betreffende artikelen van het Wetboek, door de Regeering niet in de herziening begrepen. Bij besluit der Kamer (Vgl. Hand. 1885—86, blz. 322) was bepaald, dat de artikelen van het Wetboek, in de gedrukte stukken behandeld, zouden aan de orde zijn.

XLVII. 13 Mei 1892. In behandeling was een wetsontwerp tot wijziging van de artt. 980 en 983 van het Burgerlijk Wetboek, handelende over uiterste willen. Een voorgesteld amendement, waardoor ook art. 987 in de wijziging zou worden begrepen, werd toegelaten. De Voorzitter zeide daaromtrent: „Bij dit amendement wordt feitelijk in art. 987, welk artikel niet in de considerans is genoemd, eene wijziging gebracht. Overeenkomstig de antecedenten der Kamer zoude ik mij verplicht rekenen, bezwaar te maken tegen het in behandeling nemen van dit amendement, indien ik niet, na den Minister van Justitie gehoord te hebben, meende, dat de uitbreiding bij dit amendement aan de herziening gegeven, niet van zoo verre strekking is, dat daaruit bezwaar zoude kunnen ontstaan en dat het als antecedent tot bedenkelijke gevolgen zoude kunnen leiden. Op die gronden maak ik voor mij geen bezwaar het amendement als zoodanig te beschouwen." Hand. 1891—92, blz. 951.

XLVIII. 30 September 18%. Aan de orde was een wetsontwerp tot wijziging van eenige artikelen der wet lager onderwijs, waaronder ook art. 65/er. Een amendement van den heer Gerritsen tot intrekking van dat artikel werd toegelaten. Wel was het eene vraag of, wat de strekking van het amendement betrof, dit viel in het kader van het

326

Sluiten