Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 95. LUI. 6 Maart 1912 werd behandeld een amendement-ter Laan c. s.

op het wetsontwerp tot wijziging van de wet tot regeling van het lager onderwijs (zitting 1911—12, bijl. 15). Het wetsontwerp beoogde subsidie te geven aan de bijzondere scholen voor schoolbouw, terwijl het amendement strekte om de gemeenten ook te subsidieeren voor dat doel. Hand. 1911-12, blz. 1811.

LIV. 10 September 1919 waren aan de orde amendementen van den heer Duys op het wetsontwerp tot wijziging der Invaliditeitswet (1918—19, bijl. 483), welke naar de meening van den Voorzitter buiten het kader van het wetsontwerp vielen. Dit laatste strekte volgens de beweegreden om „eenige wijzigingen en aanvullingen in de Invaliditeitswet te brengen, welke in het bijzonder betrekking hebben op de uit» keeringen en de premiebetaling". De Voorzitter achtte de amendementen hier buiten te vallen, omdat zij betrekking hadden op de indeeling der loonklassen, bedragen der premies en het begrip „invaliditeit". Het eerste amendement werd omgezet in eene motie; na eenige discussie verzette de Voorzitter zich om practische redenen niet langer tegen het tweede, maar de toelating als amendement zou, volgens dezen, geen antecedent mogen zijn, waarop men zich later zou kunnen beroepen. Hand. 1918—19, blz. 3075—6; 3081—2.

LV. 2 November 1920 was aan de orde een amendement van den heer de Geer op het wetsontwerp tot wijziging der Gemeentewet ter verruiming van het belastinggebied der gemeenten (zitting 1920—21: bijl. 25), strekkende om bij eene in te voegen nieuwe paragraaf wijziging te brengen in het volgens de wet van 24 Mei 1897 [Staatsblad n°. 156) aan de gemeenten uit te keeren bedrag. Het betrof dus de financieele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten.

De Voorzitter stelde voor het amendement niet toe te laten, in hoofdzaak omdat het onderwerp van het amendement viel buiten het terrein van de Gemeentewet. Deze laatste somt de belastingen op, die de gemeenten mogen heffen; de wet van 1897 regelt de financieele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten. Het amendement-de Geer, beoogende verhooging van de Rijksuitkeering aan de gemeenten, kon dus niet geacht worden te behooren tot het gebied van de Gemeentewet; zoodanig voorstel viel binnen het terrein van de wet van 1897, die niet aan de orde was.

De heer de Geer voerde aan, dat in de laatste jaren steeds was aangenomen, dat een materieel verband tusschen een amendement en den inhoud van het ontwerp zonder formeele connectie voldoende was. Hij haalde eenige voorbeelden aan tot staving dezer bewering en betoogde, dat de materieele band tuschen het wetsontwerp en het amendement aanwezig was. Ook de Regeering, daartoe uitgenoodigd, deed van hare meening blijken. Zij adviseerde afwijzend ten aanzien van de toelaatbaarheid van het amendement. De Kamer besloot het amendement toe te laten. (Hand. 1920—21, blz. 224—8.)

LVI. 9 October 1924. Een amendement op het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 22, 25, 74, 75 en 83 der Arbeidswet 1919 (zitting 1924—25, bijl. 36), strekkende tot wijziging van art. 27, gaf den Voorzitter geen aanleiding aan de Kamer voor te stellen het niet

328

Sluiten