Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in behandeling te nemen, aangezien het liep over hetzelfde onder- Art. 95. werp als het wetsontwerp. Bij aanneming zouden echter titel en beweegreden van het wetsontwerp moeten worden gewijzigd. Hand. 1924—25, blz. 46.

LVII. 3 April 1925 was aan de orde het wetsontwerp tot wijziging der Kieswet enz., hetwelk volgens de beweegreden o.m. strekte om de bepalingen betreffende de strafrechtelijke sanctie op de naleving van den stemplicht te doen vervallen. Daarop waren amendementen voorgesteld, eenerzijds om den stemplicht te schrappen; anderzijds om de strafrechtelijke sanctie op de naleving te behouden, maar anders geregeld dan in de geldende Kieswet.

Een voorstel van een der leden om beide amendementen niet toe te laten, op grond, dat zij buiten het kader van het wetsontwerp zouden vallen, werd bij stemming door zitten en opstaan verworpen. (Tengevolge van de aanneming van een der amendementen, is de beweegreden van het ontwerp gewijzigd). Hand. 1924—25, blz. 1981—1983, 2006.

AMENDEMENTEN VAN VERRE STREKKING, WELKE WERDEN TERUGGENOMEN, NADAT DE VOORZITTER TEGEN DE TOELATING BEZWAAR HAD GEMAAKT.

LVIII. 9 Mei 1919. De Voorzitter achtte een amendement van den heer Troelstra c.s. op art. 1 van het voorstel-Marchant c.s. tot wijziging der Kieswet niet toelaatbaar, omdat, waar het voorstel-Marchant uitsluitend strekte tot toekenning van het kiesrecht aan de vrouw en het amendement beoogde de leeftijdsgrens, ook van de mannelijke kiezers, te veranderen, het amendement met het onderwerp van het wetsvoorstel niet in eenig verband stond. Op den weg van de voorstellers lag het om een initiatief-voorstel te doen. De voorstellers trokken het amendement in. Hand. 1918—19, blz. 2245.

LIX. 28 Mei 1919. Een amendement op het wetsontwerp tot wijziging der lager-onderwijswet (beoogende regeling der onderwijzerssalarissen) strekte om bet getal onderwijzers te bepalen, dat in eene klasse moet zijn in verband met het aantal leerlingen. De Voorzitter achtte dit amendement buiten het kader van het wetsontwerp te vallen. De voorstellers trokken het amendement in. Hand. 1918—19, blz. 2458.

LX. AMENDEMENTEN OP BEGROOTINGSWETTEN.

Bij amendement kunnen op de begrootingswetten geheel nieuwe posten worden gebracht, zoowel voor een bepaald bedrag als voor memorie. *) Vgl. o.a.:

amendement-Smeenge voor eenen nieuwen post op hoofdstuk V der Staatsbegrooting voor 1893 a ƒ 504. Hand. 1892—93, blz. 564;

amendement, waarbij een Memorie-post werd gebracht op hooidstuk V der Staatsbegrooting voor 1896, Hand. 1895—%, blz. 526;

1) „In het algemeen is het brengen van nieuwe posten op de begrooting eene daad waartoe de Kamer wel is waar formeel niet onbevoegd is, maar waarvan zij zich toch in den regel behoort te onthouden." Mrs. VEEGENS en LOHMAN: Hand. 1897—98, blz. 691 en 625—6.

329

Sluiten