Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXIV

vrijheid wordt gegeven daarvan in hare statuten af te wijken.

Een verklaring hiervan kan gemakkelijk hierin gevonden worden, dat terwijl de wetgever in 1876 voor een hem vrijwel onbekende materie stond de herziening thans is voorbereid door een commissie waarvan de mannen van de practijk een belangrijk deel uitmaakten. Men mag dan ook aannemen, dat een regeling is tot stand gekomen, die eenerzijds zorg draagt, dat de groote belangen, die bij een behoorlijke functioneering der coöperatieve vereenigingen op het spel staan, voldoende worden beschermd, terwijl anderzijds haar vrije ontwikkeling niet onnoodig wordt belemmerd.

§ 4. Jurisprudentie.

In verband met hetgeen boven over het karakter der inleggelden gezegd is laten wij hier nog volgen het arrest van den Hoogen Raad van 6 Mei 1925, dat, hoewel de financieele gevolgen daarvan voor de coöperatieve vereenigingen ongetwijfeld van belang zijn, voor ons zijn voornaamste beteekenis ontleent aan het juiste inzicht van het karakter der inleggelden en daarmede van de coöperatieve vereeniging.

Bij dit arrest werd verklaard, dat de Coöperatieve Groothandelsvereeniging „De Handelskamer" te Rotterdam, terecht in verzet is gekomen tegen een dwangbevel, uitgevaardigd door den Ontvanger der Registratie, no. 1, aldaar op grond, dat zij registratierecht verschuldigd zou zijn wegens uitbreiding van haar kapitaal, tengevolge van de toetreding van een nieuwe deelgenoote. Zoowel de Rechtbank te Rotterdam, als het Gerechtshof te 's-Gravenhage hadden haar in het ongelijk gesteld.

Het Hof had als zijn oordeel uitgesproken, dat artikel 46 der Registratiewet ») op de Handelskamer toepasselijk

1) Art 46 Reg. w. (Ie lid). Op de akten van oprichting van binnen het Rijk gevestigde naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeelen en andere vennootschappen en vereenigingen, welker kapitaal geheel of ten deele in aandeelen

Sluiten