Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemen. Tot de onverplaatste behooren o.a. de terra rossa (weinig voorkomend) en de laterietgronden; tot de verplaatste de bruine aarde, de moerasgronden en de zoutgronden; tot de aeolische de duingronden. Een uitvoerig bibliografisch overzicht besluit de beknopte uiteenzetting.

IX. FINLAND (auteur: B. Aarnio). Onder invloed van het khmaat en het grondwater zijn in Finland de navolgende bodemsoorten ontstaan:

a. bodemsoorten met een karakteristieke schierzandlaag (Duitsch: Bleicherde; Russisch: podsol; in Nederland vroeger loodzand geheeten);

b. subhydrische bodemsoorten, gevormd onder directen en indirecten invloed van het grondwater; c. zoutgronden met een karakteristieke wasachtige, glimmende laag (Duitsch: Pecherde).

De grondsoorten worden gekarteerd, fysisch en chemisch (niet mineralogisch!) onderzocht en tevens plantengeografisch beschreven. Aan het slot is een uitvoerige literatuurlijst toegevoegd.

X. FRANKRIJK (auteur: L. Cayeux). Sinds 1841 is men hier, schoon er geen officiëele agro-geologische Dienst bestaat, bezig met de agronomische karteering van verschillende departementen en gemeenten1). De bodemsoorten zelf zijn ten deele fysisch en chemisch onderzocht, maar het geheele werk is thans afgebroken, deels wegens gebrek aan geld en personeel, deels om het geringe belang, dat de landbouwer er in stelt. De auteur zelf meent, dat men in Frankrijk thans wel wat anders te doen heeft, dan zulk werk te verrichten! Frankrijk is bovendien een oud cultuurland; eeuwenlange bemesting en verschillende andere cultuur-maatregelen hebben den grond bovendien totaal gewijzigd.

Cayeux's uiteenzettingen leeren ons voor de zooveelste maal, dat men een zeer bekwaam geoloog en petrograaf kan zijn (en dat is hij inderdaad), en toch van bodemkundige studiën niet het minste begrip hebben. Indien hij de moeite neemt het verzamelrapport, waarvan het zijne een deel uitmaakt, eens grondig te lezen, kan hij, zooal niet tot andere gedachten komen, dan toch leeren, dat men volstrekt niet met een land te doen behoeft te hebben, „encore inculté sur de vastes étendues" om te leeren, welke belangrijke algemeen-wetenschappelijke problemen ook in Frankrijk nog zijn op te lossen. Ik wijs hier alleen maar op de vergelijkende studie der verweering van graniet in West-Frankrijk vergeleken met die der vulkanische gesteenten van Auvergne; op de omgrenzing der löss en het raadsel harer herkomst; over de bauxiet in Zuid-Frankrijk; op de subtropische grond-

*) In Nederland heeft Staring in 1860 de eerste proeve gegeven, nJ. een kaart der gemeente Vorden evenwel zonder zonder tekst

31

Sluiten