Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen sprake). Daarnaast vinden wij in de tallooze vleijs en op de plateaux zwarte, plastische kleigronden met kalkconcreties, plaatselijk met concreties van ijzeroxyd. Hoewel door het onderzoek niet aangetoond, meent Maufe, dat de zwarte kleur een gevolg is van het aanwezige ijzeroxyd en niet van humus (zie rapport No. XVI over Marokko). Een bibliografie is toegevoegd.

XXII. ROEMENIË en BESSARABIË (auteur: G. Murgoci en N. Florov). De studie van de bodemsoorten in deze gewesten dateert van 1906, toen het Instituut voor Geologie te Boekarest en door den eersten auteur een agrogeologische afdeeling werd opgericht. Als richtsnoer werd hierbij genomen het zoo belangrijke werk door Dokoetsjajef en zijn medewerkers in Rusland verricht Allereerst werd het landschap Baragan, een steppe-gebied, welks bodem uit de z.g. Zwarte Aarde bestaat en gelegen oostelijk van Boekarest, in studie genomen, met het oog op een bebossching. Het werk werd van hieruit naar het Noorden en het Westen voortgezet en in 1909 was een schetskaart van de bodemsoorten van het geheele land klaar (deze kaart is verkleind in kleuren aan het Rapport toegevoegd). Deze kaart, die de Regeering gediend heeft om de grondprijzen te bepalen na de Agrarische hervorming (1918?), leerde bovendien den samensteller (G. Murgoci) een merkwaardige relatie tusschen den aard van den grond en de ethnografische herkomst der bevolking. Een uitvoerige bibliografie, foto's en bodemprofielen besluiten het overzicht Vóór de toekenning van Bessarabië aan Roemenië trokken Russische onderzoekers (onder wie vooral Nabokich verdient genoemd te worden) het land door; nadien nam het Roemeensche geologische Instituut de taak zelf ter hand en erkende men, dat het beginsel van de zonaliteit der bodemsoorten ook hier geldig was. Dit beginsel zegt, dat de bodemsoorten afhankelijk zijn van het klimaat en de hoogte en strooksgewijze van Noord naar Zuid op elkander volgen. Zoo vond men de Zwarte Aarde (Tschernosjiom) in het Noorden, in het midden de boschgronden, de „Codri" der boeren, steeds en altijd met een „podsol"-laag (zie Rapport No. IX over Finland); in het Zuiden de kastanjebruin gekleurde gronden, uit de zwarte Tschernosjiom-gronden ontstaan; langs de Zwarte Zee, de Marea Neagra der Roemenen, de zoutgronden.

XXIII. ZWEDEN (auteur: H. Hesselman). Hoewel Zweden een geologischen Dienst bezit, is men er niet toe overgegaan ook nog een agrogeologischen Dienst op te richten. Het zoo gunstig bekende boschproefstation in Stockholm, waarvan de Heer Hesselman directeur is, heeft een aantal zeer belangrijke studies in het licht gegeven, waarvan de resultaten 38

38

Sluiten