Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook voor verklaring van Nederlandsche bodemtoestanden bruikbaar is.

De grondsoorten van Zweden hangen in de eerste plaats van de vegetatie en het klimaat af. Uitgezonderd Zuid-Zweden, dat plantengeografisch tot het Midden-Europeesche loofhoutgebied behoort, behoort Zweden tot het dennen-berken gebied, wijl het een klimaat bezit, voor dit soort bosschen bij uitstek gunstig.

Karakteristiek voor de naaldhoutwouden is het optreden van schierzandlagen (podsol-lagen). Hoe lager de gemiddelde jaar-temperatuur en hoe korter de zomer, des te dikker is deze schierzandlaag, die gevormd wordt door en onder het „zure" humusdek.

Belangwekkend, ook voor Nederland, is nog de opmerking, dat zandoer volstrekt niet overal onder de schierzandlaag optreedt en dat beide lagen onder den met heide begroeiden bodem nagenoeg niet optreden (precies dus het tegenovergestelde van wat voor Nederland en Noord-Duitschland beweerd wordt).

Waar de terreins-hellingen uit kalksteen bestaan, verweert deze tot bruine aarde, die op grootere hoogten en op vlakke terreinen onder invloed der af- en doorspoeling uitgeloogd is.

Een bijzondere plaats nemen de leemgronden in, ontstaan en afgezet in laat- en postglacialen tijd. Zij zijn, blijkens archaeologische overwegingen, ten hoogste 4000 jaren oud. Een karakteristiek vignet van een ploeg uit den Steentijd, afgeteekend gevonden op een rots in Bohuslan, is aan het rapport toegevoegd.

XXIV. VEREENIGDE STATEN (auteurs: C. Marbut, M. F. Miller, P. E. Brown en R. S. Smith). De V. S., aldus de le rapporteur, bestudeeren hun grond zonder vooropgezette ideeën van het zoeken naar wisselbetrekkingen tusschen het klimaat en den bodem, bepaalde fysische en chemische eigenschappen en den aard van den bodem, enz. De grond is een natuur-produkt en moet op dezelfde wijze bekeken worden als ieder ander natuurvoorwerp. Daarvoor is noodig „a purely scientific attitude" en daarnaast een zuivere bedoeling n.1. „finding the truth".

De rapporteur zet nu verder uiteen, hoe de organisatie van het „Bureau of Soils" is en waarop de waarnemers wel letten bij hun veldwerk. Wat onderzocht is, wordt gepubhceerd en 1100 kaarten zagen reeds het licht, gedeeltelijk van in vogelvlucht onderzochte terreinen, gedeeltelijk van nauwkeurig bestudeerde gebieden.

Aanvullende mededeelingen over den stand van het veldwerk in Missouri, Iowa en Illinois besluiten de droge, uiterst beknopte en als een soort van registratie geschreven rapporten.

39

39

Sluiten